De Neanderthalers waren – voor zover we nu weten – de eersten die lijm maakten. Nieuw onderzoek suggereert dat ze dat op maar liefst drie manieren konden doen.

Wie de speer van een Neanderthaler onder de loep neemt, ziet dat deze uit drie onderdelen bestaat. Twee daarvan springen meteen in het oog en zijn al uitgebreid bestudeerd: de houten schacht en de vuurstenen speerpunt. Maar dan is er nog een derde – en niet minder interessant – onderdeel: de lijm waarmee de Neanderthalers de twee eerder genoemde onderdelen aan elkaar bevestigden. Hoe slaagden de Neanderthalers erin om die 200.000 jaar geleden te maken?

Teer
Eerder onderzoek toonde aan dat de lijm bestond uit teer, die uit een berkenbast werd gehaald. En daar waren archeologen behoorlijk van onder de indruk. Want, zo dachten ze, het valt niet mee om teer uit berkenbast te halen. Maar een nieuw onderzoek – verschenen in het blad Scientific Reports – toont aan dat de archeologen er op dat gebied mogelijk behoorlijk naast zaten. In het paper beschrijven de onderzoekers namelijk drie verschillende manieren waarop Neanderthalers die teer konden winnen. De onderzoekers trekken die conclusie nadat ze zelf aan de slag gingen met de ingrediënten waar Neanderthalers de beschikking over hadden.

Hier zie je één van de methoden die de Neanderthalers wellicht gebruikten. Een stuk opgerold berkenbast wordt in kolen en as geplaatst en met kolen en as bedekt. Na enige tijd wordt deze uitgerold en zien we er teer op liggen. Dat kan er vervolgens afgeschraapt worden. Afbeelding: Kozowyk et al, Scientific Reports 2017.

De drie methoden
“We hebben drie verschillende methoden ontdekt,” vertelt onderzoeker Geeske Langejans, verbonden aan de Universiteit Leiden, aan Scientias.nl. “De eerste is erg eenvoudig; daarbij leggen we simpelweg een rol berkenbast in hete as en kolen. Tussen de laagjes bast in de rol ontstaat dan teer dat eraf geschraapt wordt. De tweede methode is wat ingewikkelder; daarbij stoppen we eerst een bakje van bast en daarna een rol berkenbast in een nauwsluitend gat in de grond. Daarbovenop leggen we hete kolen. In de rol bast ontstaat weer teer, dat naar beneden drupt en in het bakje opgevangen wordt. De laatste methode vereist het meeste werk. Hierbij graven we eerst een bakje in de grond, daarop komt een rooster van wilgentenen en daarop een rol berkenbast. Vervolgens dekken we de rol met natte aarde af en over deze berg leggen we een vuur aan. De teer die ontstaat in het ‘oventje’ drupt door het rooster in het bakje. De teeropbrengst en tijdsinvestering nemen toe naar mate de methoden ingewikkelder worden.”

De opbrengst van de tweede methode die Langejans hierboven beschrijft. Afbeelding: P. Kozowyk.

De aanpak van de Neanderthaler
De onderzoekers hebben daarmee aangetoond dat teer op verschillende manieren uit berkenbast kan worden gehaald. Maar hoe zeker zijn ze er nu van dat Neanderthalers die drie methoden beheersten? Langejans: “Omdat er geen ovens, roosters van wilgentenen of andere archeologische resten van de productiemethoden gevonden zijn, kunnen we niet zeggen welke methoden Neandertalers gebruikten. Het kan zelfs zijn dat ze op een heel andere manier teer wonnen. Zelf acht ik het waarschijnlijk dat ze alle drie de methoden of variaties daarvan toepasten, al naar gelang hun behoefte. Voor een snelle kleine reparatie aan een werktuig is een rolletje in as genoeg; voor groot onderhoud is het denkbaar dat een complexere methode werd gebruikt.”

“Ons onderzoek laat zien dat teervondsten van 200.000 jaar oud, niet per se betekenen dat Neandertalers vuur-experts waren”

Intelligentie
Het onderzoek heeft mogelijk implicaties voor de kijk die we momenteel hebben op de vaardigheden van de Neanderthaler. “De aanname was dat teerproductie erg moeilijk is en een hoge mate van intelligentie vereist,” legt Langejans uit. “Dit omdat onderzoekers het proces niet goed konden repliceren, en omdat men dacht dat er precieze temperatuurcontrole moest zijn. Teer zou alleen ontstaan tussen de 340 en 370 graden Celsius. Wij laten ten eerste zien dat teerproductie te repliceren is met weinig meer dan berkenbast en vuur. Bovendien maken we teer bij temperaturen tussen de 300 en 600 graden Celsius. Ons onderzoek laat zien dat teervondsten van 200.000 jaar oud, niet per se betekenen dat Neandertalers vuur-experts waren. Ze kunnen een eenvoudige manier hebben gebruikt om teer te maken die geen precieze controle van de temperatuur vereiste. Dat betekent dat er in het intelligentie-debat naar andere argumenten gekeken moet worden, bijvoorbeeld het belang van zogenoemde transformatietechnologieën, waarvan teerproductie door Neanderthalers nu het vroegst bekende voorbeeld is. Bij dit soort technologieën veranderen de ingrediënten compleet en kan je ze niet meer terug brengen naar hun originele toestand. Als je eenmaal teer hebt, kan je niet meer terug naar bast en vuur.”

De onderzoekers zijn nog niet klaar met de Neanderthalers en hun lijm. “In de toekomst zouden we graag een methode ontwikkelen om de gebruikte methoden van teerproductie methoden archeologisch te herkennen.” Zo zou ook duidelijk kunnen worden welke methoden de Neanderthalers werkelijk gebruikten.