Wanneer de gemiddelde levensverwachting in een land stijgt, gaan er minder jongeren naar de kerk. Dit blijkt uit recent onderzoek.

“Een hogere levensverwachting stelt de voordelen van het hiernamaals uit, waardoor er sprake is van uitstel van religiositeit”, concludeert onderzoeker Elissaios Papyrakis van de universiteit van Oost-Angola. Dit klinkt ingewikkeld, maar is simpel uit te leggen. Jonge mensen die denken nog lang te leven, maken zich minder zorgen over wat er na de dood met hen gebeurt. Zij gaan pas naar de kerk, moskee of tempel wanneer ze ouder – en dus dichterbij de dood – zijn.

Papyrakis en zijn collega’s verzamelden globale gegevens over religiositeit en de gemiddelde levensverwachting. Zij ontdekten dat meer mensen religieus zijn wanneer een land een lagere levensverwachting heeft. Wanneer een land gemiddeld tien extra levensjaren heeft dan een ander land, dan noemen minder inwoners zichzelf religieus (verschil van 8,4 procent) en gaan minder inwoners naar een religieus gebouw (15 tot 17 procent verschil).

Economische factoren
En hoe zit het dan met de economische factoren? Mensen in landen met een hogere levensverwachting zijn vaak hoger opgeleid en zijn door die hogere opleiding juist in staat om religieuze zaken te relativeren, toch? Volgens de onderzoekers is dit deels waar, maar kunnen de economische factoren niet alle onderzoeksresultaten verklaren.

Jonge mensen trekken
Volgens Papyrakis kunnen kerken jonge mensen aantrekken door niet over hemelse voordelen te praten, maar juist over zaken die op aarde spelen. Dus niet praten over een hemels paradijs na de dood, maar bijvoorbeeld over hoe jonge mensen hun sociale netwerk kunnen vergroten.