Tijdens de trektocht uit Afrika blijken onze voorouders zich voornamelijk te goed te hebben gedaan aan zeevruchten.

Toen de prehistorische mens besloot om uit Afrika weg te trekken, lag er een lange en uitputtende reis naar Azië in het verschiet. Deze regio’s werden onder andere gekenmerkt door ernstige droogte, wat leidde tot een schaarste aan vegetatie en daarmee een tekort aan eetbare landdieren. Dit roept dan ook de vraag op waar onze voorouders tijdens deze geduchte trektochten van Afrika naar Azië precies op teerden. Onderzoekers komen nu echter in een nieuwe studie gepubliceerd in het vakblad Quaternary International met het antwoord op deze prangende vraag.

Trektocht
Waarom de mens eigenlijk uit Afrika wegtrok, blijft tot op de dag van vandaag in nevelen gehuld. “Wat de beweegredenen precies waren weten we niet, maar het was er zeker meer dan één,” vertelt onderzoeker Niklas Hausmann aan Scientias.nl. “Sommige hielden mogelijk verband met klimaatverandering, maar er kunnen ook politieke en sociale factoren hebben gespeeld.” In ieder geval besloten prehistorische pioniers hun leefgebied te verlaten en op pad gaan naar het onbekende Azië. Hierbij staken ze vermoedelijk de Rode Zee over, naar Saoedie-Arabië. Een zware reis, zeker in tijden van droogte. Want wat hebben onze voorouders destijds gegeten om in leven te blijven?


Migratieroute
Om die vraag te beantwoorden, bestudeerde het team gefossiliseerde riffen in de buurt van de nu ondergelopen kustlijnen van de Rode Zee die ooit de prehistorische migratieroute van Afrika naar Saoedie-Arabië markeerden. Hier onderzochten ze de overblijfselen van 15.000 schelpen van zo’n 5000 jaar oud. Volgens de onderzoekers geeft dit goed inzicht in wat de migrerende prehistorische mens – ook langer geleden – moet hebben gegeten. “De geanalyseerde schelpen zijn afkomstig van zogenaamde ‘schelpenheuvels’ met een zeer duidelijke gelaagdheid,” legt Hausmann uit. “Tussen de schelpen vinden we ook andere overblijfselen van dieren die de destijdse mens had kunnen eten zoals vis en botten van gazellen. Ook troffen we sporen van as en houtskool aan, wat erop duidt dat ze vuurtjes stookten om het voedsel te bereiden. Deze schelpenheuvels bevatten soms ook artefacten, zoals aardewerk en menselijke resten.”

Levend exemplaar van het mariene weekdier Conomurex fasciatus. Miljoenen van deze schelpen werden gevonden op de Farasan-eilanden in Saoedi-Arabië als voedselafval van prehistorische vissers. Afbeelding: Niklas Hausmann

Na een grondige analyse komen de onderzoekers tot de conclusie dat de kustlijn die als een toegangspoort naar Saoedie-Arabië fungeerde, vermoedelijk genoeg middelen bood die nodig waren om in leven te blijven in tijden van weinig regen en wanneer andere voedselbronnen schaars waren. De onderzoekers ontdekten namelijk dat er genoeg schaal- en schelpdieren voorhanden waren. “De beschikbaarheid van voedselbronnen speelt een belangrijke rol in ons begrip over de haalbaarheid van menselijke migraties uit het verleden,” zegt Hausmann. “Migranten hadden lokaal voedsel nodig. En perioden van droogte zouden deze verplaatsingen dus ook kunnen hebben beperkt. Uit onze gegevens blijkt echter dat migrerende mensen tijdens perioden waarin veel andere hulpbronnen op het land schaars waren, konden vertrouwen op lokaal beschikbare schaal- en schelpdieren. En een overvloed hieraan maakt het natuurlijk veel gemakkelijker en minder riskant om je te verplaatsen.”

Ondergelopen kustgebieden
Het betekent dus dat migrerende prehistorische mensen dus voornamelijk schaal- en schelpdieren op het menu hadden staan. En dat hier nu bewijs voor is, is een grote stap voorwaarts. Hoewel het idee dat migranten vertrouwden op zeevruchten ook al eerder is geopperd, liet het onomstotelijke bewijs op zich wachten. Dat heeft mede te maken met ondergelopen kustgebieden langs de Rode Zee. Het betekent dat men geen goed beeld had van hoe groot de voedselvoorraden in het verleden waren en hoe levensvatbaar het kustbestaan. “In prehistorische tijden toen mensen voor het eerst Afrika verlieten, lag de zeespiegel veel lager dan nu,” licht Hausmann toe. “De migratieroutes liggen nu meer dan 100 meter onder water, zijn moeilijk te vinden of zelfs ontoegankelijk. In onze studie hebben we ons voornamelijk gericht op plaatsen die meer landinwaarts liggen.” Uiteindelijk konden de onderzoekers hard maken dat migranten voor hun overleving op mariene hulpbronnen vertrouwden. Bovendien waren de populaties groot genoeg zodat men er zich volledig te goed aan kon doen zonder dat dit grote ecologische gevolgen had.


Hulpbronnen
Dat laatste is trouwens best opmerkelijk. Eerdere studies hebben namelijk aangetoond dat mensen die rond de zuidelijke Rode zee woonden, al duizenden jaren het hele jaar door schelpdieren aten. “Toch zijn deze hulpbronnen niet door hen uitgeput, maar bleven sterke en gezonde populaties behouden,” zegt Hausmann. Dezelfde soorten bestudeerd in deze studie zijn bovendien ook teruggevonden in fossiele riffen die meer dan honderdduizend jaar oud zijn. Dit geeft aan dat schaal- en schelpdieren gedurende lange perioden een beschikbare hulpbron zijn geweest, zonder dat dit iets afdeed aan hun populatie-omvang. “Ik had echt gedacht een afname van de schelpdier-populaties te zien,” zegt Hausmann. “Maar dit is niet wat we ontdekten. Sterker nog, we hebben totaal geen tekenen van uitputting gezien. We wisten niet eerder dat de lokale impact op mariene hulpbronnen zo laag was. Het suggereert dat mensen destijds veel slimmer waren in het gebruik van natuurlijke hulpbronnen dan wij nu zijn.”

Dankzij de studie krijgen we een steeds beter beeld over onze eigen menselijke geschiedenis. “Het belangrijkste is dat mensen in het verleden niet terugdeinsden om gedurende lange perioden in woestijnachtige gebieden te verblijven,” vertelt Hausmann. “Ze hadden toegang tot zeevoedsel, omdat dat ander voedsel op het land schaars was.” Dit laat zien hoe overvloedig en veerkrachtig schaal- en schelpdieren waren en hoe belangrijk deze voedselbron was voor de migrerende prehistorische mens. Het betekent dat de migratieroute langs de Rode Zee dus belangrijke middelen leverde om de eerste stap tussen de continenten mogelijk te maken.