Wetenschappers hebben uitgezocht wanneer je jezelf nu echt zorgen moet gaan maken over asociaal gedrag van een tweejarige.

In het Engels is er een fraaie term voor: de terrible two’s. De lastige fase waar een kind doorgaans na de tweejarige leeftijd bereikt te hebben doorheen moet en die ook wel aangeduid wordt als de peuterpuberteit. Het is een periode waarin ouders zich soms zorgen kunnen maken. Want is het gedrag van hun kind wel ‘normaal’ of is er sprake van een serieus gedragsprobleem?

Crimineeltjes
De zorgen van ouders zijn niet zo heel vergezocht. De meeste peuters komen hun peuterpuberteit goed door en gedragen zich na die tijd weer ‘normaal’. Maar onderzoek heeft ook aangetoond dat het asociale gedrag van de meeste professionele criminelen zijn oorsprong vindt in diezelfde peuterjaren.

Gebrek aan empathie
Maar hoe kun je als ouder – of hulpverlener – nu onderscheid maken tussen asociaal gedrag dat erbij hoort en asociaal gedrag dat (op latere leeftijd) kan leiden tot grote problemen? Wetenschappers hebben daar nu uitgebreid onderzoek naar gedaan en wijzen een aantal gedragingen aan die ervoor zouden moeten zorgen dat er enige alarmbellen gaan rinkelen. Je moet dan denken aan een gebrek aan empathie, liegen en een gebrek aan emoties. Een serie gedragingen die de onderzoekers vangen onder de verzamelnaam ‘callous-unemotional behaviors‘ en die zich volgens de wetenschappers duidelijk onderscheiden van andere gedragsproblemen. “Als we deze kinderen (die dit gedrag vertonen, red.) vroeg identificeren, hebben we een betere kans om in hun ontwikkeling in te grijpen,” stelt onderzoeker Jenae Neiderhiser.

Oorsprong
De wetenschappers hebben ook onderzoek gedaan naar de oorsprong van dit zorgelijke gedrag. Eerdere studies suggereren dat ouders die hard en negatief zijn naar hun kinderen toe bijdragen aan dit asociale gedrag. Maar of dat echt zo is, is lastig vast te stellen. “Omdat ouders niet alleen voor hun kind zorgen, maar hun kind ook hun genen hebben meegegeven,” legt onderzoeker Luke Hyde uit. “Het is dus moeilijk om te achterhalen of het ouderschap CU-gedrag (callous-unemotional) veroorzaakt of dat het simpelweg de genen zijn die aan het kind worden doorgegeven.” Om daar meer helderheid over te krijgen, bestudeerden de onderzoekers gezinnen die bestonden uit kinderen en hun biologische ouders en gezinnen met geadopteerde kinderen. Uit het onderzoek blijkt dat asociaal gedrag van biologische moeders vaak ook te zien was bij hun kinderen, zelfs als die moeders geen of weinig contact hadden met hun kinderen. Het gedrag is dus erfelijk.

Maar: de onderzoekers ontdekten ook dat vrouwen die een kind van een asociale biologische moeder adopteerden veel konden doen om te voorkomen dat het kind datzelfde gedrag ging vertonen. “Kleine, dagelijkse, positieve interacties die ouders met hun jonge kinderen hebben, kunnen een enorm verschil maken in de ontwikkeling van de kinderen,” stelt onderzoeker Leslie Leve. “Zelfs als een kind een heel uitdagende set gedragingen heeft geërfd, kan een compliment of een schouderklopje het kind helpen beschermen tegen serieuze problemen.”