Tijdens de laatste IJstijd vormde Australië één grote landmassa met Tasmanië en Nieuw-Guinea, genaamd Sahul. Er leefden grote, bijzondere dieren, maar die zijn nu allemaal verdwenen. Dit komt door klimaatverandering, concluderen Amerikaanse onderzoekers.

250 kilo zware kangoeroes, buideldieren zo groot als paarden (Palorchestes), tien meter lange slangen, uit de kluiten gewassen krokodillen, 2,5 meter lange schildpadden met hoorns op hun hoofd en grote hagedissen. Tijdens het Pleistoceen leefden deze dieren in Sahul. Circa 350.000 tot 570.000 jaar geleden kwamen ze in groten getale voor, maar dit veranderde zo’n 30.000 tot 40.000 jaar geleden. Dit leiden onderzoekers af uit het aantal gevonden fossielen.

Veel onderzoekers beweren dat de opkomst van aboriginals (zo’n 50.000 jaar geleden) het einde betekende voor veel Australische superdieren. Aboriginals joegen op de dieren en verkleinden daarnaast de leefgebieden van de oorspronkelijke bewoners van Sahul. Maar klopt dit wel? Onderzoeker Larisa DeSantis beweert in een nieuw paper dat de vork anders in de steel steekt.

DeSantis wijst klimaatverandering aan als de oorzaak van de verdwijning van de dieren. Zij en haar collega’s analyseerden de tanden van de fossielen. Aan de piepkleine krasjes op de tanden is te zien wat een dier de laatste weken van zijn leven at. “Het klimaat veranderde aan het eind van het Weichselglaciaal en werd droger”, vertelt DeSantis. “Hierdoor veranderde het dieet van de dieren ook drastisch.” Zo werden planten zouter, waardoor de planteneters meer water moesten drinken. Omdat het steeds droger werd, was er steeds minder drinkwater beschikbaar, met als gevolg dat dieren uitstierven.

De resultaten van het onderzoek zijn verschenen in een paper in het wetenschappelijke vakblad Paleobiology. “Als de rol van klimaatverandering toen zo groot was, dan moeten we ook meer oog hebben voor de impact van klimaatverandering op de levens van dieren in het heden.”