De dieren werden voor rituele doeleinden opgejaagd en opgesloten.

Dat schrijven Amerikaanse onderzoekers in het blad PLoS ONE. Ze baseren zich op een analyse van botten die terug zijn gevonden in de Mayastad Copán (Honduras). De onderzoekers deden onderzoek op vijf verschillende plekken in de stad. Zo bogen ze zich onder meer over een graf uit het jaar 435 waarin de resten van een vrouw en het complete skelet van een poema werden aangetroffen. Ook bestudeerden ze een altaar waar menig offer op werd gebracht en waar de resten van zeker vier jaguars en vijf poema’s werden aangetroffen.

Symboliek en rituelen
Dat dergelijke grote, wilde dieren een rol speelden binnen de Mesoamerikaanse culturen is niet nieuw. We weten dat dergelijke culturen wilde dieren zoals poema’s en jaguars voor verschillende doeleinden inzetten. Zo lijken ze symbool te hebben gestaan voor macht en status en om die reden met overledenen te zijn begraven. Ook werden ze blijkbaar geofferd en zouden de Mesoamerikanen wel raad hebben geweten met het vlees en de vacht.

In gevangenschap
Kortom: dat er op deze dieren gejaagd werd, is niet verrassend. Wat wel enigszins verrassend is, is dat onderzoekers nu aanwijzingen hebben gevonden dat de dieren soms levend werden gevangen en nog enige tijd in gevangenschap werden gehouden. De onderzoekers trekken die conclusie op basis van een isotoopanalyse, uitgevoerd op de in Copán teruggevonden botten en tanden van grote katachtigen. Aan de hand van die isotopen kan onder meer worden vastgesteld wat de dieren aten. Het onderzoek wijst uit dat deze dieren door mensen verstrekt voedsel te eten kregen.

Dode katachtigen
Bovendien blijkt uit een analyse van teruggevonden vachten en tanden dat deze afkomstig zijn van katachtigen die leefden in gebieden op behoorlijk grote afstand van Copán. Het wijst er volgens de onderzoekers op dat er – omwille van symboliek en rituelen – niet alleen in levende katachtigen werd gehandeld, maar dode katachtigen ook over grote afstanden werden getransporteerd, zodat onder meer de vacht en tanden konden worden verhandeld.

Afgaand op wat de onderzoekers in Copán gezien hebben, verwachten ze dat grote katachtigen gedurende het tijdperk van de Copán-dynastie (tussen 426 en 820 na Christus) in gevangenschap werden gehouden en klaar werden gestoomd voor een hoger doel: het opeisen van een hoofdrol in de vaak tragische Mesoamerikaanse rituelen en symboliek.