Steeds meer atleten proberen hun prestaties met gentherapie te verbeteren. Wetenschappers pakken die valsspelers nu keihard aan door met een effectieve test te komen die vast kan stellen of iemand gentherapie heeft gevolgd of niet. En dat is zeker ook in het belang van de sporter. De test moet voor de Olympische Spelen van 2012 helemaal klaar zijn.

Atleten verzinnen van alles om als sterkste of snelste uit de bus te komen. Gentherapie is één van de laatste ontwikkelingen. De sporters krijgen genetisch materiaal toegediend dat ervoor zorgt dat hun eigen DNA bijvoorbeeld bloedcellen aanmoedigt om meer zuurstof mee te voeren of grotere spiercellen te kweken. Tot op heden was het moeilijk om vast te stellen of een atleet gebruik had gemaakt van gentherapie. Maar dat is aan het veranderen.

Wijziging
Genetisch gemanipuleerde atleten houden ongetwijfeld hun adem in nu Amerikaanse wetenschappers met een test komen die alle valsspelers er zo uitvist. Uit het onderzoek blijkt dat apen die genetisch gemanipuleerd worden met het hormoon erytropoëtine – dat geeft het bloed een boost – een gewijzigde vorm daarvan in hun bloed houden. Die wetenschap is de basis voor een nieuwe test: eentje die de gewijzigde vorm opspoort.

Gevaarlijk
Zowel het uithoudingsvermogen als de spiermassa kan door het inbrengen van bepaald genetisch materiaal worden verbeterd. Het probleem is echter dat de gentherapie niet zo goed werkt in mensen. Het is moeilijk op de goede plaats in te brengen en aan het werk te krijgen. Bovendien zijn er bijwerkingen. Experts waarschuwen zelfs dat het spierversterkende DNA enkel in één lichaamsdeel werkt. Dus als het in de linkerarm wordt aangebracht, dan wordt deze supersterk en blijft de andere normaal.

Het detecteren van de therapie is heel belangrijk. Niet alleen vanuit sportief oogpunt, maar ook met het oog op de gezondheid van de sporter. De ervaring leert dat de atleet het gevaar van de therapie vaak minder belangrijk acht dan zijn ambities.