Genetisch onderzoek toont aan dat we het aantal soorten giraffen jarenlang zwaar onderschat hebben. Er zijn er maar liefst vier!

Lang dachten onderzoekers dat er maar één soort giraf was. Die soort bestond weer uit verschillende ondersoorten. Maar genetisch onderzoek onthult nu dat het heel anders zit.

Vier soorten
Wetenschappers bestudeerden het DNA van 190 giraffen. Onder deze giraffen waren alle negen ondersoorten vertegenwoordigd. Uit het onderzoek bleek dat er vier genetisch goed van elkaar te onderscheiden groepen giraffen zijn. Deze groepen paren niet met elkaar in het wild en moeten volgens de onderzoekers als vier verschillende soorten worden gezien. Het gaat om de Giraffa giraffa, G. tippelskirchi, G. reticulata en G. camelopardalis.

Verrassend
De resultaten hebben de onderzoekers verrast. Fysiek lijken de giraffen uit deze groepen namelijk heel sterk op elkaar. De onderzoekers hadden dan ook niet verwacht dat de genetische verschillen tussen de giraffen zo groot zou zijn. Maar dat blijkt dus wel het geval te zijn. De genetische verschillen tussen de verschillende soorten giraffen zijn minstens net zo groot als die tussen ijsberen en bruine beren.

Het onderzoek is belangrijk. Giraffen hebben het namelijk moeilijk. In dertig jaar tijd zijn hun aantallen teruggelopen van 150.000 naar 100.000 individuen. Dat was al reden tot zorg, maar wordt nog zorgwekkender nu blijkt dat die 100.000 individuen niet één grote populatie vormen, maar vier kleinere populaties. “De G. camelopardalis telt in het wild bijvoorbeeld minder dan 4750 individuen en de G. reticulata minder dan 8700 individuen,” vertelt onderzoeker Julian Fennessy. Nu blijkt dat beide groepen giraffen afzonderlijke soorten zijn, behoren deze groepen opeens tot de meest ernstig bedreigde grote zoogdieren ter wereld.