De resten van het organisme zijn tussen de 560 en 550 miljoen jaar oud en werden teruggevonden in het zuiden van Australië.

De paleontologen die de ontdekking deden, hebben het organisme de naam Coronacollina acula gegeven. Het is een heel verrassend exemplaar. C. acula stamt namelijk uit het Ediacarium, de periode voor het Cambrium. In het Cambrium ging leven de aarde pas rap veroveren en ontstonden de meest uiteenlopende organismen. De wetenschap dacht altijd dat in die periode ook de dieren met skeletten ontstonden. Maar C. acula laat iets anders zien. “Nu hebben we een organisme uit een periode voor het Cambrium en het heeft individuele harde lichaamsdelen,” vertelt onderzoeker Mary Droser. “Daarom is dit het oudste organisme met harde onderdelen.”

De fossiele resten van C. acula. Foto's: Droser lab / UC Riverside.

Belangrijk
De onderdelen waren heel belangrijk. Ze ondersteunden het organisme. “Ze houden het in essentie overeind. Dit is een belangrijke innovatie voor organismen.”

Voorloper
C. acula was waarschijnlijk tussen de twee en vijf centimeter hoog. Qua bouw doet het organisme denken aan de sponzen die in het Cambrium ontstonden. Daarmee is dan ook overduidelijk bewezen dat C. acula een voorloper van de organismen in het Cambrium was. “Het lot van de eerste Ediacarium-dieren is het onderwerp van discussie geweest, waarbij velen suggereerden dat de dieren kort voor het Cambrium uitstierven. Onze ontdekking laat zien dat dat niet klopt.”

Lange naalden
Waarschijnlijk leefde C. acula op de bodem van de zee. Qua vorm doet het organisme sterk denken aan een vingerhoed. Aan die vingerhoed zijn lange naalden bevestigd die zo’n 20 tot 40 centimeter lang waren. Deze naalden waren hard. Met behulp van deze naalden kon C. acula op de bodem van de zee gemakkelijk op zijn plaats blijven. Het skelet diende enkel ter ondersteuning en was niet bedoeld om C. acula tegen roofdieren te beschermen, zo benadrukken de onderzoekers. Er waren in deze tijd immers nog geen roofdieren. Waarschijnlijk kon C. acula zichzelf niet voortbewegen en kwam deze op dezelfde manier als sponzen aan eten (namelijk door water te filteren). Het is onduidelijk hoe C. acula zich voortplantte.

De onderzoekers vonden niet zomaar één C. acula terug, zo is in het blad Geology te lezen. Nee: ze troffen honderden fossielen aan. Blijkbaar leefden de organismen in groepen.