Toen de temperatuur 50 miljoen jaar geleden zo’n 2 graden Celsius steeg, werden sommige zoogdieren tot wel 15 procent kleiner.

Dat zoogdieren kunnen gaan krimpen als de temperaturen wereldwijd stijgen, is al een tijdje bekend. Eerder toonden onderzoekers bijvoorbeeld aan dat dat gebeurde ten tijde van het PETM (Paleocene-Eocene Thermal Maximum), zo’n 56 miljoen jaar geleden. Toen steeg de gemiddelde temperatuur in een periode van zo’n 200.000 jaar zo’n zes graden en werden sommige zoogdieren tot wel 30 procent kleiner. Maar gebeurt datzelfde tijdens een mildere opwarming van het klimaat? Dat zijn onderzoekers nu nagegaan. Hun bevindingen zijn terug te lezen in het blad Nature.

Waarom kleiner?

Waarom zijn dieren in het verleden kleiner geworden toen de aarde opwarmde? Dat weten onderzoekers niet goed. Mogelijk stelden de kleinere lichamen de dieren in staat om hun lijf sneller af te laten koelen. Een andere optie is dat de voedingswaarde van planten door hogere CO2-concentraties afnam, waardoor dieren niet genoeg voedsel hadden om hun grote lijven te handhaven. Ook de met klimaatverandering samenhangende droogte en bosbranden kunnen de voedselzekerheid van dieren ernstig hebben aangetast. Overigens namen de zoogdieren na afloop van het PETM en ETM2 weer hun oorspronkelijke omvang aan.

ETM2
De onderzoekers richtten zich op het ETM2 (Eocene Thermal Maximum 2). Deze opwarming was veel kleiner en kortstondiger dan het PETM. Zo duurde deze tussen de 80.000 en 100.000 jaar (dus ongeveer half zo lang als het PETM). En tijdens het ETM2 stegen de temperaturen ‘slechts’ zo’n 2 tot 3 graden.

Arenahippus
De onderzoekers bogen zich over het gebit en de kaken van zoogdieren die in de periode rond het ETM2 leefden. Je moet dan bijvoorbeeld denken aan Arenahippus, een soort vroege versie van het paard dat ongeveer net zo groot was als een kleine hond. Maar ook aan Diacodexis, een voorloper van de hoefdieren en ongeveer zo groot als een konijn. Uit het onderzoek blijkt dat Arenahippus tijdens het ETM2 zo’n 14 procent kleiner werd. Diacodexis werd in diezelfde periode zo’n 15 procent kleiner.

Verband
Ook ten tijde van een geringe opwarming werden de zoogdieren dus kleiner. Maar hun lichaamsomvang nam wel minder sterk af dan tijdens het heftigere PETM. Het suggereert dat er een verband is tussen de omvang van de opwarming en de mate waarin een zoogdier kleiner wordt.

Grote vraag is natuurlijk welke implicaties het onderzoek heeft voor de tijd van nu. We vroegen co-auteur Hemmo Abels, verbonden aan de TU Delft of er eigenlijk parallellen zijn tussen de bestudeerde periode – ETM2 – en de tijd waarin we nu leven. “Ja, er zijn zeker parallellen te trekken tussen toen en nu, ondanks dat de toenmalige veranderingen plaatsvonden tijdens een ander achtergrondklimaat, dat was namelijk veel warmer. Zoogdieren verliezen makkelijker warmte als de oppervlakte over volume-ratio groter en het volume dus kleiner wordt. Het valt dus te verwachten dat ook in onze toekomst zoogdieren (en de mens?) kleiner worden, herbivoren meer dan carnivoren. Naast de temperatuur heeft verandering van eten waarschijnlijk ook invloed gehad: als planten sneller groeien, bevatten ze minder voedingsstoffen en is het dus moeilijker voor dieren om genoeg voedsel te vergaren. De extreme temperatuur heeft waarschijnlijk wel de belangrijkste rol gespeeld.” Abels en collega’s pleiten in hun studie voor vervolgonderzoek. Alleen zo kunnen we eventuele door klimaatverandering ingegeven ecologische veranderingen voorspellen en doorgronden.