Nepbehandelingen – oftewel placebo’s – zijn volgens experts toch veel effectiever dan lang werd aangenomen. De relatie tussen dokter en patiënt en de verwachtingen die de patiënt van het herstel heeft, zijn vaak genoeg om het brein, lichaam en gedrag van de zieke patiënt om te toveren tot dat van een gezond mens.

Even voor alle duidelijkheid: placebo’s helpen dus niet, maar de patiënt gelooft van wel. En soms is geloven simpelweg genoeg.

Doktoren onderschrijven al langer dat placebo’s een patiënt helpen om zich beter te voelen, maar konden niet met zekerheid stellen dat de behandeling ook lichamelijke veranderingen met zich meebracht. Het nieuwste onderzoek trekt die conclusie wel.

De onderzoekers verwijzen naar een studie waarin mensen met Parkinson placebo’s kregen. Door de nepbehandeling kwam er in hun brein dopamine – het feel-good-stofje – vrij. Bovendien resulteerde de behandeling in veranderingen in de hersenactiviteit. “Wanneer je denkt dat je een medicijn krijgt dat helpt dan reageert jouw brein alsof het opgelucht is,” legt professor Walter Brown uit. “Maar we weten niet hoe die gedachte dat je beter wordt uiteindelijk vertaald wordt in hersenactiviteit.”

Nu het bewijs dat placebo’s werken zich opstapelt, gaan steeds meer artsen op zoek naar manieren waarop zij de nepbehandelingen – zonder ethisch in de knoei te komen – zo effectief mogelijk kunnen inzetten. Vertellen dat een patiënt een placebo krijgt, lijkt zinloos, omdat de werking ervan dan teniet gedaan wordt. Maar Brown is het daar niet met eens. Als een arts patiënten met een milde depressie of angst vertelt dat zij een placebo krijgen dan is de kans volgens hem nog steeds zeer groot dat de nepbehandeling net zo goed werkt als de gevestigde therapieën. Zolang de artsen maar benadrukken dat het weliswaar een placebo is, maar wel eentje die wel eens kan helpen.