In de IJstijd nam de hoeveelheid bos in Europa sterk af, omdat mensen bossen – misschien met opzet, misschien per ongeluk – in brand zetten.

Tot die conclusie komt een internationaal team van onderzoekers, waaronder archeoloog Jan Kolen van de Universiteit Leiden, in het blad PLoS ONE.

De taiga. Afbeelding: Sandivas (via Wikimedia Commons).

De taiga. Afbeelding: Sandivas (via Wikimedia Commons).

Simulaties versus werkelijkheid
Het idee voor het onderzoek ontstond toen Kolen tijdens een congres in Amsterdam in gesprek raakte met professor Jed Kaplan, klimaatonderzoeker en specialist op het gebied van de plantenecologie, zo vertelt Kolen aan Scientias.nl. “Hij (Kaplan, red.) liet toen een reconstructie zien van de vegetatie in Europa en een deel van Azië tijdens de koudste fase van de laatste IJstijd, ongeveer 20.000 jaar geleden. Zijn reconstructie was gebaseerd op een simulatiemodel: wat voor vegetatie zouden we verwachten onder zuiver natuurlijke omstandigheden, als we uitgaan van klimaat (8 klimaatscenario’s), bodems en reliëf, en grote water- en ijslichamen (meren, zeeën, ijskappen, gletsjers)? De uitkomst was een landschap met tamelijk grote bossen van het type ‘taiga’ – naaldbossen zoals we die nu nog tegenkomen in de noordelijke streken, zoals Midden-Zweden, Finland en Siberië.” Maar die simulatie kwam niet overeen met de werkelijkheid. “Op grond van analyses van stuifmeel, plantenresten, houtskool en oude bodems komen onderzoekers namelijk al decennialang tot de conclusie dat in die periode sprake was van een vrijwel boomloos landschap, bevolkt door grote grazers, zoals mammoeten, wolharige neushoorns, bisons, etc (dat laatste weten we weer op basis van paleontologisch onderzoek). Jed Kaplan vroeg zich af hoe dat verschil moest worden verklaard, en ik opperde dat menselijk vuurgebruik hierbij wel eens een doorslaggevende rol kon hebben gespeeld.”

Onderzoeksmethode
Kaplan en Kolen besloten dat idee verder te verkennen en maakten een kaart van alle archeologische vindplaatsen uit deze periode. “Op grond daarvan werd een model gemaakt van de verspreiding en bevolkingsdichtheid van groepen jager-verzamelaars. Dit model werd, samen met de voorspelde effecten van vuurgebruik, weer verwerkt in het simulatiemodel. Het resultaat daarvan bleek opvallend goed overeen te komen met de ‘werkelijke situatie’. Daarmee leek het verschil verklaard. Vervolgens zijn we beter gaan kijken naar de archeologische gegevens. Daaruit bleek inderdaad dat mensen in deze periode zeer veelvuldig gebruik maakten van vuur in de openlucht. In goed onderzochte gebieden komen we ook opvallend vaak laagjes met houtskool tegen die uit deze periode dateren, en die wijzen op bos- of steppebranden.”

“Ik had het niet voor mogelijk gehouden dat bij zulke lage populatiedichtheden als destijds de effecten van menselijk gedrag op het milieu toch al zo groot konden zijn”

Verrassend
Het zou betekenen dat mensen zo’n 20.000 jaar geleden al een enorme invloed hadden op hun leefgebied. En dat is best verrassend, vindt Kolen. “Ik had het zelf niet voor mogelijk gehouden dat bij zulke lage populatiedichtheden als destijds – want de mens was toen een zeldzame diersoort – de effecten van menselijk gedrag op het milieu toch al zo groot konden zijn.”

Enorme branden
Want de branden die de jagers veroorzaakten, moeten we niet onderschatten. “De modellen laten bijvoorbeeld zien dat onder natuurlijke omstandigheden sprake zou moeten zijn geweest van een uitgestrekte taiga in het gehele gebied van de Alpen tot aan Nederland en Noord-Duitsland. Ook de Karpaten en grote delen van de Oekraïne zouden dan bedekt zijn geweest met deze bossen. Als menselijk vuurgebruik in het model wordt verwerkt, verdwijnen deze bossen grotendeels en zien we het beeld van een vrijwel boomloos landschap opdoemen zoals we dat uit bijvoorbeeld het stuifmeelonderzoek kennen. Het gaat dus echt om grote verschillen in oppervlak.”

“Ik neig er vooralsnog naar dat één en ander vooral het gevolg is geweest van risicovol vuurgebruik”

Expres of per ongeluk?
Grote vraag is natuurlijk of de jagers dat nu expres deden. Het is niet ondenkbaar. Door de bosbranden ontstonden immers graslanden en parkachtige bossen waarin mensen zich sneller konden verplaatsen en gemakkelijker plantaardig voedsel konden verzamelen. Maar Kolen vermoedt toch dat het om ongelukjes gaat. “Ik neig er vooralsnog naar dat één en ander vooral het gevolg is geweest van risicovol vuurgebruik. Jagers werden steeds mobieler, omdat ze meer en verder moesten bewegen om onder die koude omstandigheden aan voedsel te komen. In vrijwel alle kampementen die nu zijn onderzocht, zijn wel sporen gevonden van vuurgebruik. Maar wat ontbreekt zijn zorgvuldig gemaakte haardplaatsen waarin het vuur goed kon worden gecontroleerd, bijvoorbeeld in kuilen of door steenringen aan te brengen. Die zien we in de periode daarvoor wel. Het lijkt er dus op dat in de koude, steeds opener wordende omgeving veel gebruik werd gemaakt van vuur (voor verwarming, voedselbereiding), maar dat dit gebeurde op risicovolle wijze in de openlucht. Daarbij moeten we ook nog bedenken dat de nog resterende bossen toen al honderden jaren lang sterk te lijden hadden onder kou, droogte en temperatuurschommelingen. Daardoor waren ze sterk uitgedroogd en zullen ze snel zijn afgebrand.”

“Heeft de mens toen wellicht al, door het landschap zo boomloos te maken, op grote schaal een duidelijke invloed uitgeoefend op het klimaat?”

Naast de vraag of de ijstijdjagers opzettelijk brand stichtten roept de nieuwe studie nog meer vragen op. “Ik zou zelf nog graag de effecten van de vegetatieveranderingen gemodelleerd willen zien voor het klimaat,” vertelt Kolen. “Heeft de mens toen wellicht al, door het landschap zo boomloos te maken, op grote schaal een duidelijke invloed uitgeoefend op het klimaat? Ten slotte wil ik de verkregen inzichten graag koppelen aan andere aanwijzingen dat de mens in deze periode het natuurlijke landschap echt is gaan omvormen tot een cultuurlandschap, bijvoorbeeld door eenvoudige architectuur te maken (hutten en eenvoudige woningen) of door plekken te markeren met kunst.”