Een overvloed aan ongetrouwde jonge Vikingen zou kunnen verklaren waarom de Vikingen vandaag de dag bekend staan om hun gewelddadige plundertochten.

De Vikingen staan bekend om hun rooftochten. Maar waarom verlieten ze huis en haard om vervolgens ver van huis andere mensen het leven zuur te maken? Het is een vraag die historici al jaren bezighoudt en tot tal van theorieën heeft geleid. Sommige historici denken dat klimaatverandering de drijvende kracht achter de rovende Vikingen was. Anderen stellen dat de Vikingen gewoon enorm hebberig waren aangelegd. En weer anderen denken dat het allemaal terug te leiden is naar nieuwe, door Vikingen bedachte technieken om schepen te bouwen. Canadese wetenschappers gooien het nu echter over een heel andere boeg en stellen dat de rooftochten van de Vikingen een reactie waren op een tekort aan…vrouwen.

Risicovol gedrag
Het idee voor de nieuwe theorie ontstond toen twee archeologen – Mark Collard en Neil Price – met elkaar in gesprek kwamen over samenlevingen waarin polygamie gebruikelijk is. Omdat mannen in dergelijke samenlevingen meerdere vrouwen hebben, kan gemakkelijk een tekort aan huwbare vrouwen ontstaan. Een theorie in de evolutiebiologie suggereert dat zo’n tekort aan vrouwen ertoe kan leiden dat mannen risicovoller gedrag gaan vertonen. Middels dat risicovolle gedrag gaan ze de competitie met andere mannen aan om toch een vrouw te kunnen verkrijgen. Collard en Price bedachten dat je de rooftochten van de Vikingen toch heel gemakkelijk als ‘risicovol gedrag’ kon bestempelen. En ze vroegen zich af of dit risicovolle gedrag misschien voortkwam uit de polygame samenleving der Vikingen.

Dudo van Saint-Quentin

Terwijl Collard en Price deze theorie onderzochten, ontdekten ze dat ze ook niet de eersten zijn die deze theorie met de Vikingen in verband brengen. Meer dan 1000 jaar geleden was er al een historicus – Dudo van Saint-Quentin – die suggereerde dat de rooftochten van de Vikingen het resultaat waren van een overvloed aan ongetrouwde jonge mannen.

Verhouding
Daarop bogen Collard en Price zich over de operationele sekseratio: de verhouding tussen het aantal mannen dat seksueel actief is en het aantal vrouwen dat seksueel actief was. Collard en Price suggereren dat polygamie en concubinaat en een toename in sociale ongelijkheid in Scandinavië tegen het einde van de late IJzertijd de operationele sekseratio overhoop gooide. Er zou in die tijd sprake zijn geweest van een overvloed aan ongetrouwde mannen die middels risicovol gedrag rijker probeerden te worden en een hogere status probeerden te bereiken. Zowel die rijkdom als hogere status zou hun kansen op een partner vergroten. “We ontdekten dat deze evolutionaire hypothese heel goed past bij de informatie die beschikbaar is over de roofvluchten en de huwelijkse praktijken in de Vikingtijd,” stelt Collard.

Hoewel de theorie van Collard en Price vrij aannemelijk klinkt, zijn lang niet alle historici overtuigd. Zo is er kritiek op het feit dat de evolutietheorie wordt toegepast op menselijk gedrag. Onterecht, vindt Collard. “De evolutietheorie gaat niet over door genen gedetermineerd gedrag. We kijken naar een verzameling omstandigheden waarop mensen reageren – in dit geval culturele tradities: het concubinaat en polygamie – en hoe die twee omstandigheden van invloed waren op de beschikbaarheid van partners voor jonge mannen.” Hij wijst erop dat de evolutietheorie veelvuldig is toegepast op de Steentijd (toen mensen nog jaagden en verzamelden), maar nauwelijks is toegepast op de laatste 12.000 jaar van onze geschiedenis. “Ik hoop dat dit paper laat zien dat archeologen en historici de evolutietheorie goed kunnen gebruiken om interessante verklaringen te genereren voor (gebeurtenissen in, red.) recentere tijdvakken.”