Chirurgische ingrepen zijn altijd spannend. Maar duizenden of honderden jaren geleden waren ze bij vlagen ronduit schokkend.

Dat blijkt wel uit het boek ‘Pest en cholera. Geneeskunde door de eeuwen heen‘, geschreven door historicus Jonathan J. Moore en recent verschenen bij Davidsfonds Uitgeverij, die er voorzichtig op wijst dat het boek wat minder geschikt is voor gevoelige lezers. En daarmee is niets te veel gezegd. Want chirurgen gingen in het (soms nog niet eens zo heel verre) verleden niet zachtzinnig te werk. Dat wordt pijnlijk duidelijk in het hoofdstuk over schokkende operaties die tot duizenden jaren geleden – meestal zonder enige vorm van verdoving – werden uitgevoerd.

Schedelboring
“De oudste bekende chirurgische ingreep is trepanatie of schedelboring: een gat in de schedel boren zonder onderliggend weefsel te beschadigen,” zo schrijft Moore in het betreffende hoofdstuk, waarvan wij een gedeelte mogen publiceren. “De eerste vermelding in archeologische verslagen is die van een verzameling schedels van begraafplaatsen in Frankrijk uit ca. 6500 v.C. Het aantal gevonden schedels duidt erop dat het een normale procedure was; om ‘kwade geesten’ eruit te laten of om ingedeukte schedels te repareren…dat is niet bekend. Veel van de trepanatiewonden waren genezen, dus de operaties waren een succes. Dat gold niet voor alle ingrepen in de geschiedenis en veel schokkende operaties brachten ellende en de dood. Twee ontwikkelingen verbeterden de kansen van de patiënt: anesthesie en desinfecteermiddel.


Snijders
In de begintijd van de geneeskunde waren chirurgen niet de verheven personen die ze tegenwoordig zijn of zelfs in de 19de eeuw waren. Chirurgen waren een lagere orde in het medisch beroep én de sociale hiërarchie. Ze werden vaak ‘snijders’ genoemd en waren niet tot doctor opgeleid. Heelmeesters die zich chirurg noemden, werden als niet veel beter dan handarbeiders beschouwd. Hun medische opleiding (als ze die al hadden) was beperkt. Ze hadden enige kennis van anatomie en konden dingen af- of uitsnijden, gebroken ledematen zetten, geslachtsziekten behandelen, bij een bevalling helpen en als ze heel ambitieus waren een schedelboring proberen. Ze gebruikten een chirurgenset messen, zagen, naalden, tangen en scalpels om hun ambacht uit te voeren. Net als de rest van de medische beroepsgroep hadden ze geen ervaring met hygiëne en maakten ze hun instrumenten en operatietafels zelden schoon. De eerste operatie met anesthesie vond pas in 1846 plaats. Chirurgen opereerden vaak in hun straatkleren, regen zijden afbinddraad door hun knoopsgaten of bewaarden het in hun zakken. Elke operatie was extreem gevaarlijk voor de patiënt, en in ziekenhuiszalen hing een vreselijke stank, veroorzaakt door gangreen en rottend vlees. Bij patiënten die de schok van de operatie overleefden, werd een zinken bord onder wonden geplaatst om het ‘heilzame pus’ op te vangen dat uit de wond liep en als een goed teken werd beschouwd.

Wapens
Met het massaal gebruik van vuurwapens (na 1500) raakten duizenden ledematen verminkt door schotwonden. Een loden kogel uit die vroege wapens werd bij de inslag platgedrukt, wat tot gruwelijke verwondingen leidde, vaak met verbrijzelde botten en gewrichten. Chirurgen moesten nieuwe vaardigheden leren. In plaats van het fijne werk van pijlpunten verwijderen of zwaardwonden hechten, moesten ze leren amputeren. Dat was het grove werk. De chirurg gebruikte eerst een scherp mes (scalpels waren er niet) en sneed het vlees rond de plek van de amputatie weg. De voorkeur ging uit naar ronde messen, zoals de zeis. Met een snelle polsbeweging kon dan het vlees direct rond het bot worden doorgesneden. Naast de chirurg stond een stoof met stukken gloeiend ijzer, waarmee hij de slagaders dichtbrandde en bloedverlies voorkwam. Daarna werd met een vlijmscherpe zaag het bot doorgezaagd. Op de stoof stond een ketel kokende olie, die de chirurg na de amputatie over de bloedende stomp goot om de wond dicht te schroeien. Nog levende zenuwuiteinden maakten de pijn ondraaglijk en veel patiënten stierven op de operatietafel door shock en pijn.

Deze achttiende eeuwse tekening liet zien hoe chirurgen een amputatie dienden aan te pakken. Afbeelding: via Wikimedia Commons.

Als er geen kokende olie voorhanden was, werd er buskruit op de wond gestrooid en aangestoken… ook niet prettig. Een andere optie was een schroeimes, een scherp mes dat werd verhit tot het roodgloeiend was. Terwijl het door het vlees van de patiënt sneed, werd de wond – met name de kleinere bloedvaten – meteen dichtgeschroeid. Zelfs wie de behandeling overleefde, leed dagen vreselijke pijn omdat de wond langzaam genas… áls die al genas. In de 16de eeuw zag men in militaire hospitalen vaak patiënten met hoge koorts en gezwollen, rode, etterende wonden.


Ambroise Paré amputeert een been op het slagveld. Afbeelding: Wellcome Collection. CC BY.

Amputatie-innovator
Ambroise Paré (1510-1590) was een Franse militair chirurg met een ongebruikelijk groot medeleven, die alleen opereerde als het absoluut noodzakelijk was. Niettemin wordt hij als de vader van de hedendaagse chirurgie beschouwd. Als een van de vele innovaties maakte Paré een eind aan het gebruik om patiënten die voor een hernia onder het mes moesten, te castreren. Het belangrijkste voor het huidige onderwerp was dat Paré tijdens een campagne om Turijn in te nemen in 1537 de wonden van geamputeerde ledematen bestreek met een bloedstelpend middel – een mengsel van eigeel, terpentine en rozenolie – toen hij geen olie meer had. Het effect was meteen merkbaar: Parés patiënten sliepen goed en hun wonden genazen. Hij was echter nog niet helemaal tevreden en als elke goede hedendaagse arts zocht hij naar een beter recept. Hij gaf een succesvolle Turijnse chirurg steekpenningen om diens formule te verkrijgen en wist het recept na twee jaar te bemachtigen: pasgeboren pups moesten samen met in terpentine geweekte wormen worden gebakken in lelieolie… een mix van wetenschap en bijgeloof.
In 1552 gebruikte Paré tijdens een beleg zijde of twijngaren als afbinddraad voor bloedende slagaders. Hij had gemerkt dat dichtgeschroeide slagaders moeilijk genazen en tot koorts en pijn leidden. Naar zijn schatting overleefden slechts twee van de vijf patiënten die procedure. Wanneer de wond genas, viel de korst eraf en was opnieuw dichtschroeien nodig, waardoor veel vlees en zenuwweefsel verloren ging. Een neveneffect van herhaald dichtschroeien was dat lange stukken bot uit het vlees bleven steken wanneer dat eenmaal genezen was. Paré werd als genie erkend en was hofarts van vier Franse koningen. Na zijn pionierswerk werden bloedstelpende middelen algemeen gebruikt. Artsen geloofden dat de mengsels ook infecties stopten. Terpentine was een veelgebruikt ingrediënt, evenals aluin en vitriool. Rond de jaren 1670 geloofden sommige chirurgen zo sterk in de voordelen van bloedstelpende middelen dat afbinden onnodig werd geacht. Een Parijse arts uit die tijd, dr. Rabel, geloofde zo sterk in zijn ‘helende water’ dat hij een demonstratie regelde voor de oorlogsminister van Lodewijk XIV in het Hôtel des Invalides. Hij amputeerde het dijbeen van een soldaat en sloot de wond met alleen zijn bloedstelpende middel en verband. Maar hoeveel van het middel hij er ook op smeerde, de soldaat bloedde dood waar het publiek bij stond.

De tourniquet en andere verbeteringen
De volgende grote ontwikkeling in de kunst van het amputeren was de uitvinding van de tourniquet in 1674. Daarmee werd de bovenarm of het bovenbeen strak afgebonden, zodat de bloedstroom naar het onderste deel stopte en dichtschroeien minder noodzakelijk was. Jean Louis Petit verbeterde de methode begin 18de eeuw met de introductie van de schroeftourniquet. Daarmee kon de afknelling van de aders worden bijgesteld. Strikt genomen waren noch het afbinddraad noch de tourniquet recente uitvindingen, want de Grieken en Romeinen pasten de technieken ook al toe. Met dichtschroeien was de bloedstroom vanuit het dijbeen niet te stoppen, vanwege de wijdte van de slagaders. De tourniquet maakte amputaties tot aan de heupen of schouder mogelijk, zodat al het zieke vlees kon worden weggesneden. Niettemin leidden de amputaties waarbij bot en vlees op dezelfde hoogte werden verwijderd tot bloederige open wonden, zodat het na genezing nauwelijks mogelijk was een prothese op de beschadigde huid te plaatsen. In 1679 loste James Young uit Plymouth dat probleem op toen hij de ‘flapamputatie’ bedacht; bij deze methode liet men de huid aan een zijde van de amputatie intact. Die werd dan over de wond gevouwen en vastgehecht. Een laatste verbetering van de amputatietechniek was de vervanging van zijden of linnen afbinddraad door kattendarm; in plaats van ontsteking en infectie in de wond te veroorzaken, werd die door het lichaam geabsorbeerd.

Serge Vorono. Afbeelding: via Wikimedia Commons.

Verjonging door transplantatie
Dr. Serge Vorono was een chirurg van Russische geboorte die in de jaren 1920-1930 directeur Experimentele Chirurgie aan het Collège de France in Parijs was. Hij voerde uitstekende vernieuwingen door, maar maakte ook enkele grote fouten. Tijdens een bezoek aan Caïro in 1898 zag Vorono enkele eunuchen die met vier of vijf jaar gecastreerd waren. Hij merkte minachtend op dat de wrede procedure veel negatieve gezondheidseffecten had. Ze waren te zwaar, hadden een dikke buik en borstvorming; hun gezichten waren glad, slap en haarloos; ze vertoonden een duidelijk gebrek aan energie en hadden zwakke, slappe spieren. Ze leken vroegtijdig oud, hadden weinig ondernemingszin en een slecht geheugen. Vorono schreef de symptomen toe aan het gebrek aan testikels, piekerde achttien jaar over het probleem en bedacht toen het fantastische plan om bij oude Franse mannen de uitgeputte testikels te vervangen door jonge, actieve testikels om ze hun jeugdige viriliteit terug te geven. Ondanks de pijn die hij zijn patiënten bezorgde, meldden zich veel meer vrijwilligers dan hij aankon. De dokter oefende zijn techniek op dieren alvorens die op mensen uit te proberen.
Een man en een aap werden naast elkaar op brancards gelegd en verdoofd met een combinatie van ethylchloride en chloroform. In de jaren 1930 werd chloroform nog alom gebruikt voor anesthesie en mensen organiseerden zelfs chloroformparty’s. Ze realiseerden zich niet welke schade het middel toebracht aan hun lever, nieren en hart. Het wordt vanwege die bijwerkingen niet meer als anestheticum gebruikt. Zodra de man en de aap buiten bewustzijn waren, werden hun scrotum en bovenbenen geschoren en met jodium besmeerd. Het scrotum van de aap werd opengesneden en een van de testikels werd verwijderd en op een steriel oppervlak in zes dunne plakjes gesneden. Tijdens die procedure werd het scrotum van de mannelijke patiënt opengesneden en de testikel uit de balzak gewipt, al zat die nog wel vast. Met een fijne rasp werd de blootgelegde testikel opgeruwd. Dan werden drie van de plakjes van de apentestikel tegen de bebloede testikel van de man gelegd in de hoop dat de beide soorten testikelmateriaal zouden samengroeien terwijl de testikel van de patiënt genas. De diverse lagen van het scrotum werden gehecht en dan werd dezelfde procedure uitgevoerd bij de andere testikel. Deze hachelijke procedure vereiste veel expertise. Vorono werd door de gevestigde medische orde bejubeld en schreef een boek over zijn procedure: Rejuvenation by Graving. Er stonden veel casestudy’s in het boek en het bevatte zelfs voor-en-na-foto’s. Hij stelde dat het libido van zijn patiënten was toegenomen, dat hun geheugen en werkethiek en zelfs hun ogen waren verbeterd, zodat ze geen bril meer nodig hadden. Hij opperde zelfs dat sommige vormen van dementie en schizofrenie door de procedure te genezen waren. Het boek vermeldde vast niet dat de subjecten van zijn eerste twee operaties bijna gestorven waren en dat de transplantaten verwijderd moesten worden om bloedvergiftiging te voorkomen.

“De positieve berichten stroomden binnen en besloten werd dat een vervolgdosis apentestikels nog effectiever was. De vervolgtransplantatie werd gemeengoed”

De Amerikaan John R. Brinkley nam Vorono’s procedure over en voerde in zijn staat, Kansas, minstens 50 operaties per week uit. Om de een of andere reden werd besloten dat gevangenen in de San Quentin State Prison baat zouden hebben bij de procedure; minstens 300 kregen implantaten van apen in hun testikels. De procedure ging de hele wereld rond. Tussen 1920 en 1940 pasten meer dan 45 chirurgen de technieken van Vorono toe en werden in vele landen meer dan 2000 xenotransplantaties van niet-menselijke naar menselijke primaten uitgevoerd; onder andere bij 500 mannen uit Frankrijk. Ook in de Verenigde Staten, Italië, Rusland, Brazilië, Chili en India ondergingen mannen de procedure. De positieve berichten stroomden binnen en besloten werd dat een vervolgdosis apentestikels nog effectiever was. De vervolgtransplantatie werd gemeengoed. Vorono stelde dat die tweede behandeling, die in de helft van de gevallen vijf of zes jaar na de eerste plaatsvond, positieve effecten gaf zoals die bij de oorspronkelijke operatie. Voor die arme mannen is het te hopen dat het niet slechts een placebo-effect was. In de jaren 1940 wezen klinische tests uit dat het immuunstelsel van de ontvangers de implantaten neutraliseerde, vernietigde en het materiaal absorbeerde. Ondanks die tegenvaller trouwde Vorono met een vrouw die 25 jaar jonger was dan hij en hadden ze jarenlang een liefdevolle, gelukkige relatie.

Robert Liston. Afbeelding: Samuel John Stump (via Wikimedia Commons).

De snelste chirurg
Het record voor de meest egoïstische en gevaarlijkste chirurg is wellicht in handen van de Schotse arts Robert Liston (1794-1847) die er prat op ging de snelste hanteerder van een scalpel in het tijdperk van vóór de anesthesie te zijn. Studenten keken toe vanaf de galerij rond zijn operatiekamer en Liston waadde op rubberlaarzen door het bloed van vorige operaties en daagde zijn publiek uit zijn tijd op te nemen. Snelheid ging voor Liston boven alles, maar terwijl hij ervan genoot records te verbreken, hielden zijn patiënten vaak langdurig problemen. Bij één patiënt werd binnen 150 seconden een been geamputeerd, maar de goede dokter was zo enthousiast met de zaag dat hij ook de testikels van de arme kerel verwijderde. De patiënt verloor een been, twee testikels en niet veel later ook zijn leven, toen hij stierf aan koudvuur. Dat was niet de enige slachting die de egocentrische chirurg veroorzaakte. Tijdens de amputatie bij een andere patiënt sneed Liston ook de vingers van zijn assistent af; de patiënt en de assistent stierven beiden aan gangreen. Tijdens het gezwaai met zijn scalpel sneed de chirurg ook de jasslippen van een toeschouwer af, die een hartaanval kreeg omdat hij dacht dat zijn edele delen waren geraakt. Liston maakt op iedereen die hem zag een onuitwisbare indruk. Hij was een lange man, bijna 1,90 m, maar bewoog met een katachtige gratie als hij op de nieuwe patiënt afsprong die vastgebonden klaarlag voor de operatie. Liston was dol op publiek en riep naar toekijkende artsen en leerlingen: ‘Neem mijn tijd op, heren.’ Met een flits van staal sneed hij door het vlees rond het bot… zo snel dat het publiek geen pauze opmerkte tussen het doorsnijden van het vlees en het geluid van de zaag op het bot. Als hij het niet gebruikte om te snijden, hield hij zijn bebloede mes tussen zijn tanden tot hij het weer nodig had. Er waren goede redenen om snel te werken. Voor er anesthesie was, kon een patiënt sterven aan een door de pijn veroorzaakte shock of een hartstilstand. Artsen probeerden de pijn te beperken door zo snel mogelijk te opereren.
Niet al Listons bijdragen waren negatief. Hij verwijderde eens in 45 seconden een tumor van 22 kg uit een scrotum. De patiënt bracht die op een kruiwagen de operatiekamer in. Hij voerde de eerste operatie in Europa uit met ether als anestheticum en vond diverse kleefpleisters en klemtangen uit, die nog steeds worden gebruikt om slagaders af te klemmen. Ook bedacht hij de ‘Liston-flap’, een groot stuk huid dat bij amputaties wordt behouden. De methode wordt nog steeds gebruikt bij reconstructieve chirurgie.
Dat Liston messen rechtstreeks uit zijn jaszak of uit zijn mond kon gebruiken is een duidelijke indicatie van de opvattingen van een vroege chirurg over hygiëne en sterilisatie. Chirurgen zagen zichzelf als een superieure klasse, en lieten zich graag herkennen aan hun met bloed en pus besmeurde jassen of schorten. Net zo trots waren ze op hun chirurgenhanden, die een onmiskenbare geur van ontlede lichamen, organen en bloed afscheidden. Het was een teken van hun professionalisme dat ze aan een gedekte tafel konden plaatsnemen zonder last te hebben van de geur die van hun vingertoppen opsteeg. Ze zagen dat zelfs als een ereteken.

Mannen bewusteloos maken
De beoefening van de chirurgie veranderde met de uitvinding van het eerste effectieve anestheticum door de Amerikaanse tandarts William Morton (1819-1869). Hij trok op 30 september 1864 een tand bij Eben Frost. Een gedenkwaardig moment, want hij had de patiënt buiten bewustzijn gebracht met een in ether gedrenkte zakdoek. Frost voelde geen enkele pijn en ging 20 minuten later weer aan het werk. Toen maakte Morton het eerste anesthesieapparaat. Dat was een simpele glazen bol met een tuit waardoor frisse lucht binnenkwam en een andere tuit die de patiënt in de mond nam. In de bol zat een met ether doordrenkte spons. De patiënt inhaleerde via de tuit en raakte buiten bewustzijn.
De eerste volledige chirurgische ingreep werd op 16 oktober 1846 door prof. John C. Warren uit Boston uitgevoerd op Gilbert Abbott, die een lelijke, goedaardige tumor in zijn nek had. Na een operatie van 30 minuten werd de patiënt wakker. Er was diverse keren in zijn huid gesneden en een slagader had hevig gebloed, maar Abbott had niets gevoeld. Al snel bereikte het nieuws over de ontdekking Liston (zie kader hierboven) in Londen. Hij bouwde eenzelfde apparaat als Morton en kocht wat ether. Op 21 december 1846 voerde Liston in het London University College de eerste Engelse amputatie onder verdoving uit. Frederick Churchills scheenbeen moest worden verwijderd en hij werd weggemaakt met wat Liston noemde ‘een yankeefoefje… om mannen bewusteloos te maken’. Liston pakte zijn favoriete mes – met een kerf erin voor elke succesvolle operatie – en 28 seconden later was het been afgezet. De wond was al verbonden voordat Churchill wakker werd. Hij wilde gaan zitten en zei dat hij van gedachten was veranderd en van de operatie afzag. Hij kreeg het afgezette onderbeen te zien. Hoe hij reageerde is niet bekend. Er brak een nieuw tijdperk aan. Chirurgen hoefden zich niet meer te haasten tijdens operaties. Werd Liston langzamer? Waarschijnlijk niet.

Kraamvrouwenkoorts en antiseptica
Trots en arrogantie leidden tot talloze sterfgevallen onder vrouwen tijdens of na de bevalling. Die cijfers ten aanzien van kraamvrouwenkoorts hadden echter ook een positief resultaat: de ontwikkeling van een steriele medische omgeving. Eeuwenlang was de bevalling in allerlei landen een exclusief vrouwendomein. In Europese context hielpen vroedvrouwen bij de geboorte met behulp van een mengsel van overgeërfde wijsheid en gezond verstand. Er waren vaak vriendinnen bij, die ervoor moesten zorgen dat de baby bij de geboorte niet werd verwisseld met een vondeling en die morele en fysieke steun verleenden. De meeste bevallingen vonden plaats in de slaapkamer en hoewel een bevalling riskant was, waren de sterftecijfers meestal laag (…) Het babysterftecijfer was ongeveer 14 op de 1000 en van de moeders overleed circa 2 op de 1000 tijdens de bevalling. Toen mannelijke dokters zich ermee gingen bemoeien, schoten de sterftecijfers omhoog… allemaal dankzij vuile handen.

Moedermoordenaar
Kraamvrouwenkoorts is een bijzonder nare ziekte bij vrouwen die net zijn bevallen. In het victoriaanse tijdperk (1837-1901) was het in Engeland de belangrijkste sterfteoorzaak na een bevalling. Tijdens de tweede helft van de 19de eeuw stierven jaarlijks naar schatting 5000 vrouwen eraan; dat oversteeg de sterfte door cholera in het hele Verenigd Koninkrijk. Het genitaal kanaal van een vrouw is na de bevalling kwetsbaar voor infectie. Evenals de baarmoeder, de baarmoederwand en de plek waar de placenta heeft vastgezeten. Bijkomende snij- of schaafwondjes kunnen ook tot infectie leiden. Via al deze wegen kunnen allerlei bacteriën in haar bloedsomloop terechtkomen en tot een veelvoud van gevaren leiden. De gevaarlijkste microbe is de bacterie Streptococcus pyogenes, die vaak voorkomt in met pus gevulde steenpuisten. Vooral vrouwen die een langdurige en pijnlijke bevalling hebben gehad of veel bloed hebben verloren, lopen risico op infectie. Had een infectie eenmaal postgevat, dan wachtte de vrouwen een langzame, pijnlijke dood (…) Je zou verwachten dat de medische beroepsgroep een einde aan die toestand zou willen maken, maar door een reeks misleidende gedragslijnen moedigden ze die zelfs aan. Toen de Weense arts Ignaz Semmelweis andere artsen op een simpele remedie wees, werd hij uitgelachen en dusdanig vernederd dat hij zijn laatste dagen in een krankzinnigengesticht sleet. ‘Artsen zijn heren en de handen van een heer zijn schoon’, zei de Amerikaanse verloskundige Charles Meigs toen hem het belachelijke idee werd verteld dat hij zijn handen zou moeten wassen om het aantal gevallen van kraamvrouwenkoorts terug te dringen.
Harteloosheid jegens vrouwen die tijdens de bevalling sterven, is niet nieuw. Martin Luther (1483-1546) schreef: ‘Dat een vrouw in het kraambed sterft, kan geen kwaad; daar is ze voor geschapen.’ Mannelijke medici wilden meestal niets met verloskunde te maken hebben en veel universiteiten weigerden het te doceren, omdat ze het een onbehoorlijk vakgebied vonden. De universitaire ziekenhuizen van Oxford en Cambridge boden deze optie pas vanaf 1840 aan. In een poging de sterfte terug te dringen werden in heel Europa kraamklinieken opgericht. Een van de eerste verscheen in 1646 in Parijs en al snel volgden veel andere steden. Aanstaande moeders bij elkaar leggen in speciale faciliteiten met neonatale specialisten leek in eerste instantie misschien een geweldig idee, maar het sterftecijfer onder jonge vrouwen steeg sterk en soms legden hele zalen het loodje als de kraamvrouwenkoorts er huishield (…) Een sterftecijfer van een op de vier was normaal op die zalen en dokters legden maar al te graag de schuld van de infectie bij besmette moedermelk of miasma’s. Bij infectie werden kruidenbrouwsels, bloedzuigers, laxeermiddelen en aderlatingen ingezet… tevergeefs.

“Dokters vonden het onbehoorlijk om hun handen te wassen en waren trots op de stank van kadavers aan hun handen en onder hun nagels”

De dokters en verloskundigen die er werkten, waren echter zelf het probleem. Met zulke hoge sterftecijfers was het belangrijk dat artsen autopsieën konden uitvoeren op overleden patiënten, dus hadden de meeste kraamklinieken een mortuarium en ontleedkamer. Artsen ontleedden vaak dode vrouwen om de doodsoorzaak vast te stellen… om vervolgens te gaan helpen bij een bevalling of inwendig onderzoek. Handschoenen werden niet gebruikt en als er instrumenten nodig waren, waren die niet gesteriliseerd. Dokters vonden het onbehoorlijk om hun handen te wassen en waren trots op de stank van kadavers aan hun handen en onder hun nagels.

Ignaz Semmelweis. Afbeelding: via Wikimedia Commons.

Oorzaak en gevolg
Sommige artsen zagen wel oorzaak en gevolg. Al in 1795 merkte de Schotse arts Alexander Gordon op dat kraamvrouwenkoorts voorkwam bij vrouwen die waren behandeld door dokters en verpleegkundigen die daarvoor een andere lijder hadden behandeld. Hij geloofde dat hijzelf de infectie op talloze vrouwen had overgebracht, al was hij niet zeker van de aard van de infectie. In 1843 merkte dr. Wendell Holmes van de Harvard Medical School op dat een collega en een student medicijnen stierven aan kraamvrouwenkoorts nadat ze autopsie hadden verricht op een vrouw die daaraan was overleden. Hij legde de link en opperde dat de ziekte werd overgebracht via de handen van de arts of de lucht die om hem heen hing. Hij zag één keer dat een arts de onderbuikorganen verwijderde van een vrouw die aan kraamvrouwenkoorts was gestorven en ze in zijn jaszak stopte alvorens diverse andere vrouwen te gaan helpen, die allemaal kort daarna overleden. Holmes schreef in een essay: “Met het oog op die feiten lijkt het een eigenaardig toeval dat één man of vrouw door tien, twintig, dertig of zelfs zeventig gevallen van deze ziekte met de gretigheid wordt achtervolgd, als door een beagle in de straten en lanen van een drukke stad, terwijl de vele tientallen die dezelfde weg gaan de ziekte alleen van naam kennen.” Holmes werd door verontwaardigde vakgenoten weggehoond, maar werd nog niet zo slecht behandeld als Ignaz Semmelweis toen die zijn ‘lijkstofheorie’ ontwikkelde. Semmelweis stelde vast dat het sterftecijfer in de kraamkliniek van het ziekenhuis in Wenen waar hij werkte 10 procent was, terwijl in een verloskundige kliniek in hetzelfde ziekenhuis nauwelijks doden vielen. In zijn kliniek voerden medisch studenten onder zijn hoede autopsieën uit op de overleden vrouwen. Daarna gingen Semmelweis en de studenten naar de levende patiënten. Hij merkte op dat de andere kraamzaal werd gerund door vroedvrouwen, die geen autopsieën uitvoerden. Semmelweis concludeerde dat de ‘kadaververgiften’ door studenten en artsen op de geslachtsorganen van de vrouwen werden overgebracht. Hij waagde het te eisen dat iedereen op zijn zalen zijn handen waste met bleekwater, wat direct tot een drastische daling van het sterftecijfer zou leiden. Hij werd uit Oostenrijk weggehoond om zijn ideeën en sleet zijn laatste dagen als een verbitterd man in een gekkenhuis. Ook hij lijkt te zijn gestorven aan sepsis door een onhygiënische procedure.
In de jaren 1920 stierven in de VS een kwart miljoen vrouwen bij de bevalling, omdat Amerika de door Joseph Lister en collega’s geopperde voorzorgsmaatregelen maar moeizaam accepteerden. Naast zijn carbolzuurspray (waarmee de operatie- of verloskamer een antiseptische omgeving werd, red.) drong Lister erop aan dat instrumenten, verband en operatieschorten werden gesteriliseerd. Die maatregelen werden in de jaren 1880 in Engelse kraamklinieken geïntroduceerd, naast het gebruik van maskers, sterilisatie van instrumenten in autoclaven en royaal gebruik van desinfectiemiddelen. Het aantal gevallen van kraamvrouwenkoorts nam onmiddellijk sterk af. Als ze voorkwamen, werden ze geïsoleerd om verspreiding van de infectie te beperken. Antibiotica drongen de infecties nog verder terug. Reinheid was de sleutel en als Meigs en de zijnen niet zo koppig waren geweest, zouden miljoenen levens gespaard zijn.”

Wil je meer weten over chirurgische ingrepen in het verleden? Of alles weten over hoe men omging met cholera, de zwarte dood, geestesziekten, de Spaanse griep en ‘algemene klachten’, zoals hoofdpijn, tandbederf en schurft? Duik dan eens dieper in het boek ‘Pest en Cholera. Geneeskunde door de eeuwen heen.’ van Jonathan J. Moore en uitgegeven door Davidfonds Uitgeverij (ISBN: 9789059089815). Je kunt het boek hier bestellen!