Blijkbaar produceerden de Italianen de olie al zo’n 700 jaar eerder dan gedacht.

Archeologen trekken die conclusie nadat ze een vaas en twee bekkens die in de jaren negentig nabij Noto (Sicilië) zijn ontdekt, analyseerden. “Wij wilden weten hoe ze waren gebruikt, dus voerden we een chemische analyse uit op de organische resten die binnenin zijn aangetroffen,” vertelt onderzoeker Davide Tanasi.

De vaas waarin sporen van olijfolie zijn ontdekt. Afbeelding: Polo Regionale di Siracusa per i siti e musei archeologici Museo Paolo Orsi.

Oliezuur
Met behulp van drie verschillende technieken werden de restjes in de vaas en bekkens geanalyseerd. En alle technieken wezen hetzelfde uit: de organische resten bevatten olie- en linolzuur, twee bestanddelen van olijfolie.

Olijfolie
Het wijst er dan ook op dat de vaas en bekkens gebruikt werden om deze olie te maken en bewaren. Afgaand op de stijl van de vaas en bekkens stellen de onderzoekers dat deze dateren uit het einde van het derde en begin van het tweede millennium voor Christus. Het zou betekenen dat de Italianen zo’n 4000 jaar geleden al op vrij grote schaal olijfolie produceerden. Dat is zo’n 700 jaar eerder dan eerdere chemische analyses uitwezen.

De vaas en bekkens werden in de jaren negentig ontdekt door archeoloog Giuseppe Voza. Hij ontdekte de objecten tijdens opgravingen nabij Noto (Sicilië). De vaas was in zo’n 400 fragmenten uiteengevallen, maar werd de afgelopen jaren weer in elkaar gezet. Het eindresultaat zie je hiernaast. Een ongeveer 1 meter hoge vaas met drie verticale handvaten, versierd met touw-achtige banden die kriskras over de vaas heen lopen. Ook de bekkens waren in fragmenten uiteen gebroken. Maar het was goed te zien dat beide bekkens een tussenschot hadden, wat erop wees dat ze gebruikt werden om meerdere stoffen bijeen, maar wel van elkaar gescheiden, te houden.