De uitgestorven mensachtige Homo denisova mag dan niet meer in ons midden zijn, dankzij vermenging met andere hominiden profiteren Tibetanen van de ‘goede’ genen van de Denisovamens. Eén voordeel is dat Tibetanen beter op grote hoogte kunnen leven.

Tibetanen bezitten een unieke variant van een gen dat de productie van hemoglobine in het lichaam reguleert. Hemoglobine is een molecuul dat zuurstof en koolstofdioxide door het bloed transporteert. Het geeft bloed ook zijn rode kleur. Op grote hoogte kan bloed verdikken, doordat er minder zuurstof in de lucht is. Het gen in Tibetanen verhelpt dit probleem, waardoor zij minder snel cardiovasculaire problemen hebben.

Survival of the fittest
Ongeveer 87% van de Tibetanen heeft de variatie van het EPAS1-gen, tegenover 9% van de Han-Chinezen. Dit is opvallend, want beide groepen hebben dezelfde gemeenschappelijke voorouder. De onderzoekers beweren dat hierbij sprake is van natuurlijke selectie. Omdat Tibetanen met het Denisova-gen betere overlevingskansen hebben op een grotere hoogte, kunnen zij zich sneller voortplanten dan Tibetanen zonder het gen. Dit gen is cruciaal voor Tibetanen, omdat de hoeveelheid zuurstof in de lucht slechts 40% is van de hoeveelheid op zeeniveau. Han-Chinezen leven op minder grote hoogte, waardoor het gen minder grote overlevingskansen biedt.

Geslachtsgemeenschap
De onderzoekers van de universiteit van Californië hebben het gen onderzocht en konden het herleiden naar de Homo denisova. In 2010 vonden Wetenschappers hebben een vingerkootje van de Homo denisova in een grot in Siberië met genetisch materiaal. Deze soort is 40.000 tot 50.000 jaar geleden uitgestorven, tegelijkertijd met de Neanderthalers. Toen moderne mensen uit Afrika vertrokken kwamen ze in aanraking met de Homo denisova in Eurazië. Dankzij geslachtsgemeenschap zijn genen van de Homo denisova in het DNA van Chinezen en Tibetanen terecht gekomen. Ongeveer 0,1 procent van het DNA van afstammelingen is nog Denisovaans DNA.