Daarom werken therapieën die patiënten willen laten zien dat ze niets te vrezen hebben van hun angsten, waarschijnlijk onvoldoende.

Mensen met een dwangstoornis (ook wel obsessieve-compulsieve stoornis genoemd) hebben last van dwanggedachten die leiden tot dwanghandelingen: herhaaldelijk uitgevoerde irrationele handelingen. Een voorbeeld is iemand die lijdt aan smetvrees en herhaaldelijk de handen wast. Maar je kunt ook denken aan iemand die bang is dat er iets verschrikkelijks gebeurt als hij niet twaalf keer checkt of de deur wel op slot zit.

Therapie
Dwangstoornissen kunnen onder meer behandeld worden door mensen bloot te stellen aan een situatie die ze als dreigend ervaren. Zo kan iemand met smetvrees bijvoorbeeld gedwongen worden om een toiletbril aan te raken, waarna hij niet de handen mag wassen. Deze behandelmethode heeft vaak echter maar beperkt succes en in tijden van stress vallen mensen gemakkelijk weer terug in hun dwangmatige handelingen. Nieuw onderzoek kan dat helpen verklaren. Het toont namelijk aan dat mensen met een dwangstoornis meer moeite hebben dan gezonde proefpersonen om herinneringen aan ‘veilige prikkels’ op te slaan.

Experiment
Onderzoekers verzamelden 43 mensen met een dwangstoornis en 35 gezonde proefpersonen. Alle proefpersonen namen plaats in een fMRi-scanner die hun hersenactiviteit mat. Terwijl de proefpersonen in de scanner lagen, kregen ze afbeeldingen te zien van twee gezichten: een groen en een rood gezicht. Wanneer de proefpersonen het groene gezicht zagen, kregen ze soms een milde elektrische schok. Tijdens het onderzoek hielden de onderzoekers ook veranderingen in de huidgeleiding – die veroorzaakt werden door kleine hoeveelheden zweet – in de gaten. Zo konden ze vaststellen of proefpersonen wisten welke prikkel veilig (het rode gezicht) en gevaarlijk (het groene gezicht) was. Na een tijdje draaiden de onderzoekers de prikkels om. Nu ging het rode gezicht gepaard met een milde elektrisch schok.

“Ons onderzoek suggereert dat er iets fout gaat in het brein van mensen met een dwangstoornis wanneer ze leren wat veilig is”

Resultaten
Het onderzoek levert opvallende resultaten op. Zo bleken de mensen met een dwangstoornis in eerste instantie te leren welke prikkel gevaarlijk was. Maar ze leerden nooit welke prikkel veilig was. Sterker nog: ze besteedden nauwelijks aandacht aan de veilige prikkel. En toen de onderzoekers de prikkels omdraaiden, lukte het de mensen met een dwangstoornis niet om onderscheid te maken tussen de prikkel die eerder bedreigend was en de prikkel die in de nieuwe opzet bedreigend was.

Controle
“Ons onderzoek suggereert dat er iets fout gaat in het brein van mensen met een dwangstoornis wanneer ze leren wat veilig is,” vertelt onderzoeker Annemieke Apergis-Schoute. “En dat heeft weer invloed op hoe ze onder veranderde omstandigheden tegen bedreigingen aankijken. Dat is iets om rekening mee te houden wanneer we behandelingen tegen dwangstoornissen ontwikkelen.” Ze wijst erop dat huidige therapieën waarbij mensen aan hun angsten worden blootgesteld de patiënt wellicht meer controle geven over hun dwanghandelingen, “maar ons werk suggereert dat ze nooit leren dat de dwanghandelingen onnodig zijn”. Vandaar dat die handelingen vaak in tijden van stress weer de kop opsteken.

Maar waarom zijn mensen met een dwangstoornis minder goed in staat om veilige prikkels te onthouden? Een ander onderzoek suggereert dat het te maken heeft met een gebrek aan communicatie tussen specifieke hersengebieden. Daardoor zou het brein van mensen met een dwangstoornis minder flexibel zijn.