Onze voorouders leefden en werkten in grotten, waar het zelfs op klaarlichte dag behoorlijk donker moet zijn geweest. Een nieuw onderzoek onthult nu hoe onze voorouders licht in deze duisternis brachten.

Talloze vondsten hebben uitgewezen dat onze voorouders in de oude steentijd behoorlijk wat tijd doorbrachten in grotten. Ze woonden er en maakten er de beroemde rotskunstwerken. Over hun verrichtingen in die grotten is al veel geschreven. Maar tot op heden is er nauwelijks aandacht geweest voor het feit dat al die grotten behoorlijk donker zijn. En dat roept natuurlijk de vraag op hoe mensen er toch kunst konden maken en allerlei andere activiteiten konden ondernemen. “Mensen kunnen niet zien in het donker,” zo stellen onderzoekers in het blad PLOS ONE. “En dus hebben ze licht nodig om de diepere delen van grotten binnen te kunnen gaan.” Maar hoe zagen die lichtbronnen eruit? En waar werden welke lichtbronnen toegepast? Onderzoekers hebben het nu uitgezocht.

Archeologische vondsten
Ze lieten zich daarbij leidden door archeologische vondsten die eerder in Spaanse grotten zijn gedaan. “In Europa zijn er veel grotten met rotskunst,” vertelt onderzoeker Mariángeles Medina-Alcaide aan Scientias.nl. “Maar wat het grote publiek vaak niet weet, is dat er naast de kunst ook nog andere objecten zijn teruggevonden die erop wijzen dat mensen de grotten bezochten. Waaronder de restanten van lichtbronnen.” Die restanten waren tot voor kort nauwelijks onderzocht. “En dat maakt ze heel interessant.”

Experimenten
De onderzoekers bestudeerden deze lichtbronnen en maakten er drie vervolgens zo nauwkeurig mogelijk na. Het gaat dan om een fakkel – opgebouwd uit meerdere stukken hout – een klein kampvuur en een stenen lampje met daarin dierlijk vet of beenmerg (dat dienst doet als brandstof). Vervolgens trokken ze met deze verschillende lichtbronnen een Spaanse grot in, om na te gaan hoe elk van deze in de grot functioneerde. Het experiment wijst uit dat elke lichtbron unieke eigenschappen had. Zo kwamen de fakkels met name van pas bij het verkennen van grotten of doorkruisen van grote ruimtes. Dat heeft alles te maken met het feit dat hun licht in alle richtingen – tot wel zes meter ver – verspreid wordt. Ook konden ze tot wel 41 minuten blijven branden. “Het zijn heel nuttige lichtbronnen,” stelt Medina-Alcaide. “Maar ze produceren wel rook en roet en daarom waren ze wat minder geschikt om langdurig in kleine ruimtes te gebruiken.”

Kleine lampjes
Dergelijke kleine ruimtes konden weer beter verlicht worden met de lampjes gevuld met dierlijk vet. Deze lampjes konden tot wel meer dan een uur rustig branden en hun licht reikte tot wel drie meter ver. Voor het verkennen van pas ontdekte ruimtes waren deze lampjes weer wat minder geschikt, onder meer omdat ze de vloer nauwelijks verlichtten.

Kampvuur
De onderzoekers maakten ook een kampvuur in de grot. Maar daarbij werd zoveel rook gegenereerd dat het al na dertig minuten moest worden gedoofd. Waarschijnlijk is het heftige roken te herleiden naar de wijze waarop lucht door de grot stroomde en bevond het kampvuur zich net op de verkeerde plek.

Doeleinden
De experimenten maken duidelijk dat elke lichtbron voor- en nadelen heeft en weer voor andere doeleinden geschikt is. En dat is interessant. Want het suggereert dat we aan de hand van de restanten van lichtbronnen die in bepaalde grotten zijn teruggevonden wellicht een beter beeld kunnen krijgen van wat mensen in deze grotten deden. “Elke lichtbron heeft weer een andere lichtintensiteit, reikwijdte, rookproductie en lichtrichting,” zo concluderen de onderzoekers. En het lijkt niet meer dan logisch dat onze voorouders op basis van die kenmerken en de eigenschappen van de te betreden ruimte en de activiteiten die ze van plan waren om daar te ondernemen, een lichtbron kozen die daarvoor het meest geschikt was.

Lichtplan
In zekere zin zou je kunnen concluderen dat onze voorouders al een lichtplan maakten. Ze kozen lichtbronnen uit die pasten bij de ruimte en de functie die deze vervulde. Zo’n lichtplan maken wij – bewust of onbewust – ook als we onze huizen inrichten. We zetten een leeslamp naast de bank, hangen een TL-lamp in de garage en zetten een sfeerlampje in het raamkozijn, terwijl boven de eettafel juist weer een krachtigere lichtbron hangt. En die lichtbronnen vertellen ook weer iets over de manier waarop we die ruimtes benutten.

Het onderzoek levert een schat aan informatie op over hoe onze verre voorouders donkere grotten verlichtten. “Zo weten we nu dat ze het hout van eikenbomen, dennenbomen en Juniperus (een geslacht van coniferen, red.) gebruikten om fakkels te maken,” vertelt Medina-Alcaide. “En we weten dat ze meestal kleine kampvuurtjes maakten om bepaalde ruimtes in grotten te verlichten. En we weten dat er ook kleine, uitgeholde stenen waren waarin een brandstof – zoals beenmerg – en een lont werd gestopt.” Bovendien blijken archeologische vondsten het idee dat elke lichtbron weer voor andere doeleinden geschikt was, heel mooi te onderschrijven. “Zo zijn we nu onderzoek aan het doen in een grot in Spanje die een heel smalle ruimte herbergt waarvan de wanden en het plafond gevuld zijn met afbeeldingen van dieren (bisons en paarden, bijvoorbeeld). Hoe verlichtten mensen in de steentijd deze ruimte? Een fakkel kan niet lang worden gebruikt en om de tekeningen te maken was wel wat tijd nodig. Het is heel opmerkelijk, maar hier hebben we dus heel weinig van fakkels afgevallen houtskool teruggevonden, maar wel een lampje gevuld met dierlijk vet, dat helemaal geen rook voortbrengt!”

En zo beginnen de puzzelstukjes op zijn plaats te vallen. Maar er valt nog genoeg te onderzoeken, zo stelt Medina-Alcaide. “Mijn doel is om ook nog andere soorten brandstoffen – zoals botten – te gaan onderzoeken. We weten dat deze in de steentijd ook verbrand werden om grotten te verlichten.” En tenslotte hopen de onderzoekers aan de hand van die lichtbronnen dus ook helder te krijgen wat mensen in de verschillende delen van de grotten precies uitspookten.