Hoe vaak zegt u niet ‘shit’ als u boos bent of roept u ‘come on’ om iemand aan te moedigen? Waarschijnlijk heel vaak. Zelfs in een emotionele bui gebruiken wij nog Engelse krachttermen. Eline Zenner, taalkundige en verbonden aan de Katholieke Universiteit Leuven heeft hier onderzoek naar gedaan. Heeft het Engels werkelijk zo’n grote invloed op het Nederlands?

Zenner onderzocht het cliché van de Vlaming, die het Nederlands zo puur mogelijk wil houden en de Nederlander die er niet vies van is om Engelse woorden te gebruiken. Zenner vertelt: “Geen enkele andere taal heeft momenteel zo’n grote invloed op het Nederlands als het Engels. Maar hoe ‘erg’ is het eigenlijk gesteld? Neemt de invloed van het Engels nu echt met reuzenstappen toe? En beperkt zich dat dan tot woorden en uitdrukkingen, of is er soms sprake van echte codewisseling, waarbij Nederlandse en Engelse zinnen worden gemengd?”

Succesvol leenwoord
Waarom is het ene Engelse leenwoord wel succesvol en het andere niet? Zenner: “Soms is een leenwoord populairder dan het Nederlandse alternatief, zoals ‘hooligan’ tegenover ‘voetbalvandaal’, soms is het net andersom. Maar waarom is dat? Een Engels leenwoord blijkt vooral veel kans op succes te hebben als er nog geen Nederlands alternatief voor bestaat. Denk aan ‘webmaster’ of ‘workaholic’: ‘werkverslaafde’ is nooit echt populair geworden.” Toch zijn er nog andere patronen: een Engels woord dat korter is dan het Nederlandse woord – ‘nanny’ versus ‘kinderoppas’ – zullen wij sneller gebruiken dan een woord waarvan het Nederlandse synoniem korter is, bijvoorbeeld ‘teenager’ versus ‘tiener’.

WIST U DAT…

Codewisseling
Om na te gaan of alleen bepaalde woorden en uitdrukkingen worden geleend uit het Engels of dat ook er ook sprake is van codewisseling onderzocht Zenner in eerste instantie 14.000 vacatures. Zij vertelt: “Die combineren twee domeinen die erg gevoelig zijn voor het Engels: de reclame- en de zakenwereld. Ik bekeek de advertenties die tussen 1989 en 2008 verschenen in het Vlaamse blad Vacature en in het Nederlandse Intermediair. Het aantal vacatures dat volledig in het Engels was opgesteld, steeg in die twintig jaar gevoelig, van een kleine 3 procent in de periode 1989 tot 1995 tot meer dan 12 procent in de periode 2005 tot 2008. De invloed van het Engels neemt dus zeker toe, maar dramatisch voor het Nederlands zou ik het niet noemen: het blijft slechts één keer op acht in een gevoelig domein.” Door Zenner werd ook gekeken naar ‘functienamen’. Vooral branches als IT en consultancy zijn hier gevoelig voor.

Standaardisering Nederlands
De Nederlanders staan erom bekend dat zij het Engels sneller gebruiken dan de Vlamingen. Volgens Zenner is het Nederlands al vanaf de Verlichting gestandaardiseerd. Vlaanderen heeft de inhaalrace naar de Nederlandse standaardtaal vanaf 1960 ingezet. Vanaf die tijd zijn buitenlandse leenwoorden in de ban gedaan. Nederland heeft dit niet gedaan. Toch neemt in Vlaanderen het gebruik van het Engels sterk toe. Er verschijnen nu zelfs meer volledig Engelstalige advertenties dan in Nederland. Zenner vertelt: “Dat is ook logisch. In een tweetalig land als België is het vaak praktischer om meteen voor een Engelstalige advertentie te kiezen die beide taalgroepen begrijpen.”

Naast advertenties heeft Zenner ook gekeken naar de invloed van het Engels in spontaan taalgebruik. Hierbij keek zij naar het reality-programma Expeditie Robinson. Zenner vertelt hierover: “De deelnemers van dat programma vormen een mooie diverse groep van verschillende sociale lagen, Nederlanders en Vlamingen, jong en oud… Ik inventariseerde hun emotioneel taalgebruik: woorden en uitdrukkingen van het genre ‘Oh shit’, ‘Oh my god’ en ‘Da meende nie’.” Wat opviel, was dat Engels het meest werd gebruikt door ‘yuppies’ – mannelijk, jonger dan dertig, stedelijk en hoogopgeleid – om negatieve emoties uit te drukken. Van codewisseling was geen sprake. Daarnaast viel het ook op dat Nederlanders hun taalgebruik aanpassen als zij met Vlamingen spraken: zij spraken dan meer Nederlands en minder Engels. Vlamingen deden dat niet. Zenner concludeert dan ook: “Er sluipt wel meer Engels in het Nederlands binnen, maar het Nederlands wordt niet bedreigd. De invloed van het Engels beperkt zich grotendeels tot de woordenschat en piekt vooral in specifieke omgevingen zoals de reclamewereld.”