Mensen die naar iets verlangen, hebben een rooskleurig beeld als het gaat om de afstand tussen hen en hetgeen ze verlangen. Dat blijkt uit onderzoek. De wetenschappers denken dat deze inschattingsfout een bewuste is: het is het zetje in de rug om toch naar het verlangde te reiken en er echt voor te gaan.

Als mensen precies wisten hoe groot de afstand tussen hen en het verlangde is, dan zouden ze het wellicht opgeven. Zo concluderen de onderzoekers van de Cornell University. Zelfs de meest mondaine verlangens worden verkeerd ingeschat.

Volgens onderzoeker David Dunning is dat overigens prima te verklaren. “We weten dat dingen die dichterbij ons staan meer motiveren dan dingen die verder weg staan. Dus als je een organisme wilt motiveren om te gaan en datgene wat goed voor hem is of waar hij naar verlangt te pakken dan moet het organisme dat dichterbij zien.”

In de experimenten kregen 45 studenten pretzels en 45 andere studenten kregen niets. Vervolgens kregen ze allemaal de vraag hoe groot de afstand tussen hen en een fles water was. De dorstige mensen schatten dat het 63,5 centimeter was. De andere groep schatte het veel beter in: 71,12 centimeter.

Het mechanisme dat ons aanmoedigt om dingen die dichterbij zijn te verlangen, voorkomt dat we energie stoppen in dingen die onnodig zijn of die we niet echt willen. Overigens kan ditzelfde mechanisme ook op geheel andere terreinen een grote rol spelen. In relaties bijvoorbeeld. “Als je getrouwd bent, hoe luid denk je dat je echtgenoot dan naar je gilt? En lacht ze of grijst ze?” Er zijn veel verschillende manieren waarop de waarneming mensen naar een prettiger of minder prettig gevoel leiden.