We weten te weinig om een goede voorspelling te maken. En daarom zullen we de pandemie van de toekomst op een iets andere manier moeten dwarsbomen.

Mensen worden regelmatig getroffen door virussen. En het leeuwendeel ervan blijkt afkomstig te zijn van dieren. Zo ook SARS-CoV-2, de veroorzaker van de pandemie waar we nog altijd middenin zitten.

Voorspellingen
SARS-CoV-2 heeft ons behoorlijk verrast. We wisten niet dat het virus in dieren huisde en zagen dus ook niet aankomen dat het op mensen oversprong. Om te voorkomen dat we in de toekomst nog eens zo onaangenaam verrast worden, hebben onderzoekers in het afgelopen jaar verschillende risicovoorspellingen gedaan. Hierbij probeerden ze te voorspellen welke virusfamilies en diersoorten de grootste kans hadden om een virus voort te brengen dat van dier op mens over kan springen en/of de potentie heeft om een pandemie te veroorzaken.

Hoewel we dergelijke voorspellingen sinds de corona-uitbraak vaker zien, is het niet iets waar onderzoekers zich pas sinds anderhalf jaar mee bezighouden, zo vertelt onderzoeker Michelle Wille. “Het eerste wetenschappelijke artikel waarin een dergelijke voorspelling werd gedaan, werd in 2008 gepubliceerd. En sindsdien is er een aantal artikelen verschenen waarin de risico’s van bepaalde zoönosen (infectieziekten die van dier op mens kunnen overspringen, red.) beoordeeld worden.”

Incompleet en bevooroordeeld
Maar kunnen dergelijke studies werkelijk onthullen waar de volgende pandemie zijn oorsprong vindt? Wille en collega’s stellen in een nieuw essay van niet. “Deze risicobeoordelingen zijn net zo goed als de data waarop ze gebaseerd zijn,” vertelt Wille aan Scientias.nl. “En die data zijn incompleet en behoorlijk bevooroordeeld.”

Incomplete data
Wanneer onderzoekers een inschatting proberen te maken van de risico’s die bepaalde virusfamilies of de diergroepen die deze virussen herbergen, voor ons vormen, richtten ze zich natuurlijk op virussen die we kennen en laten ze zich leiden door wat we van die virussen weten. Maar die data zijn heel beperkt. Want ondanks dat er al decennialang onderzoek wordt gedaan naar virussen hebben wetenschappers naar schatting minder dan 0,001 procent van alle virussen tot op heden beschreven. Het betekent dat we tijdens risico-analyses dus meer dan 99,999 procent van de virussen niet in het vizier hebben. “Daarom denken we dat de huidige risicobeoordelingen maar beperkte waarde hebben,” aldus Wille.

Vooroordeel
Maar dat is niet de enige reden voor de bedenkingen die de onderzoekers hebben bij studies waarin geprobeerd wordt om nieuwe virusuitbraken te voorspellen. Naast dat de voorspellingen gebaseerd zijn op incomplete data, zijn ze namelijk ook nog eens bevooroordeeld. Zo ligt de focus sterk op virussen die mensen of vee het vaakst infecteren of waarvan we al weten dat ze van dier op mens zijn overgesprongen. Het betekent dat we van de meeste dieren niet eens weten welke virussen ze herbergen. “Pas vrij recent zijn we bijvoorbeeld ook begonnen met het beschrijven van virussen in blijkbaar gezonde wilde dieren,” aldus Wille.

Andere aanpak
Met dat alles in gedachten zijn we in feite op dit moment niet in staat om een betrouwbare inschatting te maken van het risico dat bepaalde virusgroepen of dieren die deze virussen bij zich dragen voor ons vormen. Maar dat wil niet zeggen dat we totaal weerloos zijn, zo benadrukken de onderzoekers. Het betekent alleen dat risicovoorspellingen in dit stadium niet zo waardevol zijn en we het over een andere boeg moeten gooien. In hun essay pleiten de onderzoekers ervoor om de focus te verschuiven van voorspellingen op basis van beschikbare data naar een veel intensievere surveillance van virussen. Met name op plekken waar dieren en mensen elkaar ontmoeten.

“De prioriteit zou daarbij moeten liggen op plaatsen belangrijk voor voedselproductie,” stelt Wille. “Denk aan varkensstallen, pluimveestallen, slachthuizen, markten voor levende dieren, jacht op (wilde) dieren. Maar ook op mensen die leven in en rond plekken waar wilde dieren samenkomen – zoals de verblijfplaatsen van vleermuizen.” Door bij zowel de dieren als mensen op dergelijke plekken regelmatig na te gaan welke virussen zij bij zich dragen, kunnen nieuwe virussen reeds kort nadat ze op mensen zijn overgesprongen en voor ze een pandemie veroorzaken, worden gedetecteerd.

Of we ook de huidige pandemie op deze manier hadden kunnen voorkomen, zullen we nooit weten. Maar Wille is voorzichtig optimistisch dat de methode in de toekomst het verschil kan maken. “De huidige methoden die aan risicovoorspellingen ten grondslag liggen, stellen ons enkel in staat om reeds bemonsterde diersoorten en virusstammen te beoordelen. Neem bijvoorbeeld het schubdier, waarvan we nu weten dat het mogelijk geïnfecteerd was door SARS-CoV-2, dat is nooit meegenomen in risicovoorspellingen, omdat er voor 2020 nog nooit virussen in deze gastdieren beschreven waren. Door meer te bemonsteren zijn we in staat om nieuwe virussen te detecteren en meer te weten te komen over de diversiteit aan virussen, die in een breed scala aan dieren aanwezig zijn. En daardoor kunnen we nieuwe virussen detecteren zodra ze in mensen opduiken en ook een beter beeld krijgen van hoe vaak virussen van dieren op mensen overspringen.”