Het welig tierende obesitas-probleem is al jarenlang het domein van de medici. Maar misschien zijn het wel psychologen die het probleem uiteindelijk oplossen.

Op dit moment is ongeveer 12% van de mensen in Nederland obees. In vergelijking met andere landen valt dat percentage misschien mee, maar het betekent wel dat meer dan 1 op de 10 mensen in ons kikkerlandje veel te zwaar is. We kunnen het dan ook niet ontkennen: de obesitas-epidemie heeft nu ook in Nederland toegeslagen. En dat is zorgwekkend. De overtollige kilo’s die mensen met obesitas meetorsen, vormen niet alleen een extra belasting voor spieren en gewrichten maar brengen ook serieuze gezondheidsrisico’s met zich mee. Zo is de kans op type 2 diabetes, hart- en vaatziekten en verschillende vormen van kanker aanzienlijk groter als je obees bent.

De maagverkleining
Geen wonder dat er koortsachtig gezocht wordt naar manieren om de obesitas-epidemie een halt toe te roepen. De resultaten zijn magertjes. “Op dit moment kan obesitas maar op één effectieve manier behandeld worden: door bariatrische chirurgie,” vertelt Anita Jansen, hoogleraar experimentele klinische psychologie aan de Maastricht University en gespecialiseerd in eetstoornissen en obesitas. Jansen verwijst hiermee naar operaties die erop gericht zijn om het gewicht van de patiënt te verminderen. Je kunt dan bijvoorbeeld denken aan een maagverkleining. “Het is een paardenmiddel, maar wel het enige wat op dit moment echt werkt.”

Het zit in de genen

Bij sommige mensen met obesitas is een genetische kwetsbaarheid geconstateerd. Dat betekent dat ze genetisch materiaal overgeërfd hebben dat resulteert in een verhoogde kans op overgewicht. Vaak wordt gedacht dat deze mensen er niets aan kunnen doen dat ze dik zijn. Maar dat is niet helemaal waar, vindt Jansen. “Vaak heeft die genetische kwetsbaarheid juist te maken met gedrag. Deze mensen zijn gevoeliger voor lekker eten en kunnen dat moeilijker laten staan. En daar kun je vanuit de psychologie wel iets mee.”

De levensstijlverandering
Natuurlijk zijn er ook de beroemde diëten en bewegingsprogramma’s. Maar daar is Jansen niet zo van onder de indruk. “De meeste deskundigen op het gebied van obesitas pleiten voor het aanpassen van de levensstijl,” vertelt ze. “Dat advies is inderdaad heel verstandig, maar het helpt niet.” Want de meeste mensen met obesitas en de wil om af te vallen, weten heel goed dat ze minder moeten eten en meer moeten bewegen. Het lukt ze alleen niet. En met dat probleem – wel af willen vallen, maar daar niet in slagen – kloppen mensen vaak bij de huisarts aan. Want ze denken een medisch probleem te hebben. Maar is obesitas dat wel? Jansen denkt van niet. Ze ziet het als een gedragsprobleem. En dan ben je bij de huisarts feitelijk aan het verkeerde adres. “Kijk, als je medische problemen hebt, moet je zonder meer naar de huisarts gaan. Maar als je af wilt vallen, wil je eigenlijk jouw ingesleten gewoonten veranderen. En dan kun je beter een psycholoog opzoeken.”

Alleen maar ruiken
Jansen weet waar ze het over heeft. Haar onderzoeksgroep doet al geruime tijd onderzoek naar de introductie van gedragsveranderingen onder mensen met obesitas. “We beginnen altijd met een analyse, waarbij we kijken wat mensen precies doen en waar het probleem zit. We vragen ze bijvoorbeeld wanneer ze eten, wat ze eten en hoeveel.” Dat klinkt heel eenvoudig, maar dat valt nog niet mee. “Mensen zeggen bijvoorbeeld vaak dat ze helemaal niet veel eten, maar wanneer je dat dan samen onderzoekt, zie je dat er toch momenten zijn dat ze te veel eten of zich niet kunnen beheersen. Soms vergeten mensen dat liever. Ook zijn ze geneigd om te denken: ‘Ach, vandaag ben ik de fout ingegaan met eten, vandaag is mislukt, ik probeer het morgen opnieuw’. En dan zijn er natuurlijk ook nog veel calorieën – bijvoorbeeld in yoghurtdrank en zogenaamd gezonde repen – waar mensen zich helemaal niet van bewust zijn.” Om toch een goed beeld te kunnen krijgen van wat mensen consumeren, krijgen proefpersonen de opdracht een eetdagboek bij te houden. “Zo kunnen we de eetpatronen in kaart brengen.” Langzaam maar zeker wordt de onderzoekers dan duidelijk in welke situaties iemand de controle verliest. “En die situaties gaan we nabootsen,” vertelt Jansen. In die nagebootste situatie krijgen de proefpersonen hun favoriete lekkers voorgeschoteld waar ze alleen maar (langdurig) aan mogen ruiken. “We proberen zo de aangeleerde drang uit te doven en mensen te leren om controle te krijgen. Ook leren ze zo dat ze zodra ze eten zien, niet per se ook daadwerkelijk hoeven te eten.”

Aangeleerde psychologische processen

Onderzoeken wijzen uit dat er veel psychologische processen ten grondslag liggen aan te veel eten of te weinig bewegen. En veel van die processen zijn aangeleerd. Zo kun je je lijf bijvoorbeeld heel snel aanleren om op een specifiek moment op de dag trek te krijgen. Daarvoor hoef je eigenlijk maar een paar dagen op rij op dat moment van de dag iets te eten. Het goede nieuws is dat aangeleerde processen ook weer kunnen worden afgeleerd. Maar dat kost wel tijd. “Zeker bij mensen met obesitas die al wat ouder zijn en waar de gewoonten al jarenlang zijn ingesleten,” stelt Jansen. Iets gemakkelijker gaat dat bij kinderen – een groep die ook in toenemende mate met obesitas te maken heeft. “Hun gewoonten zijn veel gemakkelijker te veranderen. Wat dan wel weer lastig is, is dat deze kinderen nog bij hun ouders wonen en het voor kinderen lastig is om hun gedrag te veranderen als hun ouders dat niet doen.” Het kan dan ook zinvoller zijn om het gedrag van de ouders aan te pakken, zo suggereren experimenten. “Uit onze experimenten blijkt dat wanneer ouders een gedragsbehandeling ondergaan hun onbehandelde kinderen net zo hard afvallen.”

Veelbelovende resultaten
De experimenten zijn veelbelovend. “Na twee sessies bleken mensen al minder te eten van dingen die ze daarvoor onmogelijk konden laten staan. En na acht confrontatie-sessies waren proefpersonen drie kilo meer afgevallen dan de controlegroep, bestaande uit mensen die een lifestyle-interventie hadden ondergaan.” Natuurlijk zijn twee of acht sessies bij lange na niet genoeg om te kunnen spreken van een blijvende gedragsverandering. “Ons werk is experimenteel van aard. Eigenlijk moet je deze confrontatie-sessies inbouwen in een grotere training en veel vaker herhalen om er langdurig de vruchten van te plukken. En het zou natuurlijk het mooiste zijn als mensen leren om de sessies zelf te doen. Ze kunnen dan in feite (deels) hun eigen therapie verzorgen.”

De kracht van de gedachte
Het werk van Jansen laat zien dat onze mindset – de manier waarop we over eten denken – bepaalt hoe we met eten omgaan. “Als we mensen naar een plaatje van voedsel laten kijken, dan zien we de beloningscentra in het brein actief worden. Maar wanneer we diezelfde mensen vervolgens vragen om te denken aan hoe slecht het voedsel op het plaatje voor hen is, dan neemt de activiteit in de beloningscentra af, terwijl de controle-activatie sterker wordt.” Kunnen we de obesitasepidemie met een beetje hulp van de psycholoog dan met onze eigen gedachten de kop indrukken? “Ik beweer zeker niet dat wij de oplossing in pacht hebben,” haast Jansen zich te zeggen. Maar ze vindt wel dat er in de aanpak van obesitas veel te weinig aandacht is voor de psychologie. “Het is echt een onderbelicht gebied.” Zonde. “Want er is reden genoeg om deze aanpak te benutten.” Zeker omdat er verder weinig opties zijn. “Geen enkele oplossing voor het obesitas-probleem is succesvol, behalve dan de bariatrische chirurgie. Op dieet gaan, is bijvoorbeeld helemaal niet efficiënt. Want je kunt door te diëten wel 10 kilo afvallen, maar als je daarna weer in oude patronen vervalt, komen de kilo’s er snel weer aan. En iemand die 10 kilo afvalt is vaak nog steeds obees. Beter kunnen we uitzoeken welke mechanismen ervoor zorgen dat mensen blijven eten. En vervolgens door gedragsverandering ervoor zorgen dat mensen afvallen en niet terugvallen in oude patronen. Daar zetten wij nu op in.” Voorlopige experimenten tonen aan dat ook ingesleten gewoonten kunnen verdwijnen. Het is hoopgevend. “Maar we hebben mensen nog niet langdurig gevolgd.” Dus of de gedragsverandering stand houdt – iets wat nodig is wanneer je naar een gezond gewicht wilt – zal uit vervolgonderzoek moeten blijken.

De proefpersonen die deelnemen aan Jansens onderzoek zijn in ieder geval heel blij met het werk van de hoogleraar en haar onderzoeksgroep. Want wat wetenschappers pas net ontdekken, weten zij diep van binnen vaak al lang: obesitas is het resultaat van ingesleten gewoonten. En met die gewoonten reken je niet af door te roepen dat mensen meer moeten bewegen of minder vet moeten eten. In plaats daarvan moeten we de cognitieve processen waardoor obesitas zich nu staande weet te houden voorgoed zien te veranderen. Het is geen quick fix – want ingesleten gewoonten verkrijg je gemakkelijker dan je ze kwijtraakt – maar misschien wel één van de weinige effectieve methoden die het in zich heeft om de obesitas-epidemie een halt toe te roepen.