Hun groei blijkt zelfs sterker beperkt te worden dan die van landdieren.

Als je potvissen of blauwe vinvissen door het water ziet zwemmen, ben je ongetwijfeld onder de indruk van hun omvang. Als je die vergelijkt met de omvang van dieren op het land, ontstaat al snel het idee dat zeedieren in tegenstelling tot landdieren ongehinderd kunnen blijven groeien. Maar dat klopt niet, zo bewijzen onderzoekers nu in het blad Proceedings of the National Academy of Sciences. De groei van dieren blijkt in het water namelijk sterker begrensd te worden dan op het land.

Enige optie
Het staat haaks op wat onderzoekers lang dachten. Aangenomen werd dat dieren in het water gemakkelijker ontzettend groot konden worden, omdat de oceanen zo machtig groot zijn én ze gewoon kunnen drijven en hun lichaamsgewicht dus niet op pootjes hoeven te dragen. “Veel mensen zien het water als bevrijdend voor zoogdieren, maar wij zien dat het ze juist beperkt,” aldus onderzoeker Jonathan Payne. “Het is niet dat het water je in staat stelt om heel groot te worden, het is dat je groot moet zijn als je in water leeft, je hebt dus geen andere optie.”

Modellen
De onderzoekers verzamelden informatie over 3859 nog levende en 2999 reeds uitgestorven soorten. Vervolgens analyseerden ze die data met behulp van een aantal modellen. Uit de analyse blijkt dat landdieren, zodra ze het water ingaan, snel groter worden. “Als je heel klein bent, verlies je heel snel warmte in het water,” legt Payne uit. Het betekent dat je meer energie nodig hebt om op temperatuur te blijven en dus meer moet eten. Maar met een geringe omvang kun je simpelweg niet snel genoeg eten om warm te blijven. En dus zit er maar één ding op: je moet groeien.

Grenzen
Maar de omvang van zoogdieren in zee heeft niet alleen een scherpe ondergrens. Er is ook een bovengrens. Wanneer zoogdieren in het water gaan wonen, worden ze groter. Maar tegelijkertijd versnelt hun stofwisseling. En die stofwisseling neemt sneller toe dan het vermogen van het dier om voedsel te verzamelen. Hierdoor lopen deze dieren dus tegen een maximale omvang aan. “In feite zijn dieren machines die energie nodig hebben om te opereren. Deze behoefte aan energie stelt harde grenzen aan wat dieren kunnen doen en hoe groot ze kunnen zijn,” vertelt onderzoeker Craig McClain. “Het scala aan mogelijke groottes voor zoogdieren in de oceaan is eigenlijk veel smaller dan op het land,” voegt Payne toe.

De onderzoekers stuitten in hun studie ook op twee uitzonderingen. Wat de ondergrens betreft, is dat de otter. Hij is niet heel veel groter geworden sinds hij het water in is gegaan. De onderzoekers denken dat dat komt doordat veel ottersoorten nog steeds een groot deel van hun leven op het land doorbrengen. Als het om de bovengrens gaat, is er ook een uitzondering: de baleinwalvissen, waartoe ook het grootste dier op aarde – de blauwe vinvis – gerekend kan worden. Deze walvissen verbruiken veel minder energie tijdens het eten dan de tandwalvissen – waartoe bijvoorbeeld de potvis gerekend kan worden – omdat ze al hun voedsel filteren. Hierdoor zijn ze eigenlijk efficiënter en kunnen ze groter worden dan tandwalvissen. “Het lijkt erop dat je – zonder een nieuwe aanpassing – niet groter kan worden dan de potvis,” stelt onderzoeker Will Gearty. “De enige manier waarop je net zo groot kunt worden als een baleinvis is door op een compleet andere manier te gaan eten.”