Dankzij de behendige vliegstijl van baby-pterosauriërs konden ze waarschijnlijk zelfs beter aan roofdieren ontsnappen of door dichte vegetatie vliegen dan hun ouders.

Het zou best een gek gezicht zijn geweest; pasgeboren, misschien zelfs nog natte reptielen die zo het luchtruim kiezen. Op enkele vogels na – denk aan de rode boshoen – zien we dat tegenwoordig eigenlijk nauwelijks meer. “Vogels of vleermuizen moeten bijna hun uiteindelijke grootte bereiken voordat ze kunnen vliegen,” zegt onderzoeker Mark Witton in gesprek met Scientias.nl. Maar vroeger was dat wel anders. Want onderzoekers hebben in een nieuwe studie ontdekt dat pas uit het ei gekropen pterosauriërs behendige vliegers waren.

Meer over pterosauriërs
De pterosaurus was een vliegend reptiel dat zij-aan-zij met de dinosaurussen tijdens het Trias Jura en Krijt (228 tot 66 miljoen jaar geleden) leefde. Toch vormen ze de wat minder bekende neven van de dino’s. Ondertussen zijn er meer dan honderd soorten van deze gevleugelde reptielen bekend. En hieruit blijkt dat ze veel van elkaar kunnen verschillen. Sommige waren namelijk zo klein als een huismusje terwijl andere zich konden meten met een straaljager. Ook het dieet en de manier van jagen onder pterosauriërs waren zeer divers. Zo aten ze vlees, vis en insecten. De grootste exemplaren die wel 200 kilo konden wegen, aten waarschijnlijk simpelweg waar ze zin in hadden.

Of pasgeboren pterosauriërs wel of niet gelijk konden vliegen, is al enige tijd onderwerp van discussie. Vanwege de zeldzaamheid van gefossiliseerde pterosauriër-eieren of -embryo’s en de moeilijkheid om onderscheid te maken tussen jongen en kleine volwassenen, is dat overigens ook een vrij lastig vraagstuk. Een eerdere studie suggereerde echter dat baby-pterosauriërs waarschijnlijk niet konden vliegen, maar daarentegen wel konden wandelen.

Niet vliegen, wel wandelen
De onderzoekers baseerden zich op scans, nadat ze een kijkje hadden genomen in enkele redelijk goed bewaard gebleven pterosauriër-eieren. Uiteindelijk kwamen ze tot de conclusie dat de jongen waarschijnlijk nog niet over goed genoeg ontwikkelde vleugels beschikten om te kunnen vliegen. Wel blijkt dat de dijbotten van de pterosaurus volgroeid waren. Nadat hij uit zijn ei was gekropen, kon hij dus waarschijnlijk wel gelijk zijn achterpoten gebruiken.

“Dit is precies het onderzoek dat aanleiding gaf tot onze studie,” vertelt Witton in een e-mail. “En onze resultaten spreken de bevindingen in kwestie sterk tegen. We hadden het gevoel dat studies zoals deze de vraag rondom het vliegvermogen van baby-pterosauriërs vanuit wat vreemde hoeken benaderen. Waarom niet gewoon naar de jongen zelf kijken om te zien of hun botten en vleugels in staat waren om te vliegen? Dat is wat wij hebben gedaan. En we ontdekten dat het vliegvermogen van jonge pterosauriërs al onze verwachtingen overtrof.”

Studie
In de nieuwe studie modelleerden de onderzoekers het vliegvermogen van jonge pterosauriërs. Dit deden ze met behulp van eerder verkregen vleugelmetingen van vier bekende embryo-fossielen van twee verschillende pterosauriër-soorten, namelijk Pterodaustro guinazui en Sinopterus dongi. Het team vergeleek deze vleugelmetingen ook met die van volwassenen van dezelfde soort. Tevens vergeleken ze de kracht van het opperarmbeen – dat deel uitmaakt van de vleugel – van drie jongen met die van 22 volwassen pterosauriërs.

Vliegen
De onderzoekers kwamen tot een bijzondere ontdekking. Want uit de resultaten blijkt dat het opperarmbeen van de jongen in veel gevallen sterker was dan die van volwassen pterosauriërs. Dit betekent dat baby-pterosauriërs dus sterk genoeg zouden zijn geweest om te vliegen. “Ze waren daardoor potentieel onafhankelijk van hun ouders toen ze voor het eerst ter wereld kwamen,” stelt Witton. “Het lijkt erop dat deze strategie gebruikelijk was bij vliegende reptielen. De Mesozoïsche wereld heeft er dus waarschijnlijk heel anders uitgezien dan die van vandaag. Stel je eens voor dat er elk jaar enorme aantallen kleine pterosauriërs rondvliegen terwijl ze net uit het ei zijn gekropen – het zou voor ons een bizar tafereel zijn geweest. Het is een goed voorbeeld van hoe de wereld waarin we vandaag leven niet per se een model is voor hoe de omstandigheden in het verleden waren.”

Behendige vliegers
Bovendien blijkt dat baby-pterosauriërs waarschijnlijk ook nog eens hele behendige vliegers waren. Hoewel jongen lange, smalle vleugels hadden waarmee ze waarschijnlijk prima lange afstanden konden overbruggen, waren hun vleugels wel wat korter dan die van volwassen exemplaren, met een groter vleugeloppervlak in verhouding tot de massa en lichaamsgrootte. Hierdoor waren de baby’s misschien iets minder efficiënt in langeafstandsvluchten dan volwassenen. Tegelijkertijd leidde dit er mogelijk toe dat ze in de lucht wel wat behendiger waren; ze konden bijvoorbeeld plotseling van richting veranderen en hun snelheid aanpassen.

Anders dan volwassenen
“De vliegcapaciteiten van jongen lijken dus heel anders te zijn dan die van volwassenen,” concludeert Witton. “En dat doet ons afvragen of dat op de één of andere manier weerspiegeld werd in de ecologie.” De onderzoekers speculeren dat de langzamere, maar meer wendbare vliegstijl van jonge pterosauriërs hen waarschijnlijk in staat stelde om beter aan roofdieren te ontsnappen, prooien te vangen en tussen dichte vegetatie te vliegen dan hun ouders. “Mogelijk konden ze beter in begroeide, voedselrijke omgevingen leven terwijl hun snellere, grotere ouders in meer open omgevingen vertoefden,” oppert Witton. “Het betekent dat pterosauriërs, terwijl ze opgroeiden, mogelijk door verschillende ecologieën schoven.”

Het zijn interessante bevindingen die onze kijk op deze oeroude uitgestorven reptielen verandert. “Het idee dat jonge pterosauriërs konden vliegen is op zich niet nieuw,” vertelt Witton. “Maar we presenteren nu wel de eerste gekwantificeerde schattingen van hun vliegvermogen. En daarmee hebben we aangetoond dat ze eigenlijk best goed konden vliegen.” In hoeverre het vliegvermogen van baby-pterosauriërs daadwerkelijk verschilde van volwassenen, vraagt nog om nader onderzoek. “We hebben daarvoor meer resten van juveniele pterosauriërs nodig,” zegt Witton. “We beschikken momenteel namelijk nog maar over een handjevol fossielen. Maar er valt nog veel te leren.”