Niet stofdeeltjes, maar zwavel-dragende gassen zijn de belangrijkste reden dat de dinosaurussen vandaag de dag niet meer op aarde rondlopen.

Zo’n 66 miljoen jaar geleden sloeg een planetoïde op aarde in. Het leidde uiteindelijk tot het uitsterven van de dinosaurussen en de opkomst van de zoogdieren, waaronder de mensen. Maar hoe leidde de inslag nu precies tot het uitsterven van de dinosaurussen? In het verleden wezen onderzoekers daarbij vaak naar het stof dat de planetoïde letterlijk deed opwaaien. Dit stof zou het zonlicht tegen hebben gehouden, waardoor het klimaat veranderde en de dino’s – samen met ongeveer 75 procent van alle soorten op aarde – uitstierven. Maar was dit stof wel de boosdoener? Nieuw onderzoek stelt van niet.

“De gemiddelde jaarlijkse temperatuur wereldwijd zou met zo’n 26 graden Celsius zijn gedaald”

Superkoud
Computersimulaties tonen aan dat sulfaataerosolen die ontstonden nadat de planetoïde op aarde insloeg de belangrijkste reden waren dat het zonlicht het oppervlak niet langer kon bereiken en onze planeet enorm afkoelde. “Het werd koud en dan bedoel ik: echt koud,” stelt onderzoeker Julia Brugger. De gemiddelde jaarlijkse temperatuur wereldwijd zou met zo’n 26 graden Celsius zijn gedaald. Direct na de inslag daalde de jaarlijkse gemiddelde temperatuur tot onder het vriespunt. De ijskappen groeiden en zelfs in de tropen was het nog maar zo’n vijf graden Celsius.

WIST JE DAT…

Zwavel-aerosolen
“De langdurige afkoeling veroorzaakt door sulfaataerosolen was veel belangrijker voor de massa-extinctie dan het stof dat een relatief korte tijd in de atmosfeer bleef hangen,” vertelt onderzoeker Georg Feulner. “Het was ook veel belangrijker dan lokale gebeurtenissen zoals extreme hitte nabij de plek van de inslag, bosbranden of tsunami’s.” Naar schatting duurde het zo’n 30 jaar voor het klimaat zich herstelde.

In het water
De afkoeling moet de dino’s zwaar zijn gevallen. Zij waren een gematigd klimaat gewend. Maar ook in het water stierven talloze soorten uit. Dat is te verklaren door het feit dat sulfaataerosolen niet het enige probleem waren. Ook de oceaancirculatie werd verstoord. Oppervlaktewateren koelden af. Daardoor nam hun dichtheid toe en werd het water zwaarder. Terwijl deze koelere wateren naar grotere diepte zakten, kwamen de warmere wateren dieper uit de oceaan naar het oppervlak zetten. En zij droegen voedingsstoffen bij zich waar de algen van smulden. Het is aannemelijk dat de algenbloei leidde tot het vrijkomen van giftige stoffen die het leven – in het water en aan de kust – moeilijk maakte. En dat leidde tot het uitsterven van vele zeedieren.

De onderzoekers trekken hun conclusies op basis van een klimaatmodel dat de atmosfeer, oceanen en het zee-ijs aan elkaar koppelt. “Het is fascinerend om te zien hoe evolutie deels wordt voortgedreven door een ongeluk zoals de inslag van een planetoïde,” vindt Feulner. “Massa-extincties laten zien dat het leven op aarde kwetsbaar is. Het laat ook zien hoe belangrijk het klimaat is voor alle levensvormen op onze planeet.”