Dat blijkt uit een essay dat hij in 1939 schreef, maar dat nooit gepubliceerd werd en nu is teruggevonden en bestudeerd.

Het essay met de werktitel ‘Are We Alone in Space?‘ is elf pagina’s lang. Churchill zette het kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog op papier. Waarschijnlijk wilde hij het populair-wetenschappelijke stuk in een krant publiceren. Maar zover kwam het nooit. In de jaren ’50 paste hij het stuk nog wat aan – zo veranderde hij de titel naar ‘Are We Alone in the Universe?‘ – maar wederom ging het nooit ter perse.

Schrijver

Churchill schreef veel en graag. Daarbij schuwde hij de wetenschappelijke onderwerpen niet. Naast buitenaards leven schreef hij ook over onderwerpen als evolutie en kernfusie.

Herontdekt
Enkele decennia later kwam het essay in de archieven van het US National Churchill Museum in Fulton (Missouri) terecht. En lang leek het essay gedoemd om vergeten te worden. Tot de directeur van het museum het vorig jaar herontdekte en afleverde bij onderzoeker Mario Livio. Livio bestudeerde het essay en onthult in het blad Nature de gedachten die de beroemde Britse staatsman over buitenaards leven had.

Aliens
Churchill leek aardig overtuigd te zijn van het bestaan van (intelligente) aliens. “Ik ben zelf niet zodanig onder de indruk van het succes dat we van onze beschaving hier (op aarde, red.) maken dat ik bereid ben om aan te nemen dat dit de enige plek in het immense universum is dat levende, denkende wezens bevat.”

Kennis
Maar die uitspraak is niet direct het meest indrukwekkende aspect van Churchills essay, zo stelt Livio. Hij stelt vooral respect te hebben voor de wetenschappelijke kennis van Churchill. Een deel van die kennis is anno 2017 nog altijd niet achterhaald. Zo stelt Churchill bijvoorbeeld dat water onontbeerlijk is voor levensvormen zoals wij die kennen. Anno 2017 laten we ons in de zoektocht naar buitenaards leven nog altijd leiden door de aanwezigheid van water. Ook merkt Churchill op dat leven alleen kan overleven op plekken die niet te koud (hooguit enkele graden onder nul) en niet te warm (onder het kookpunt van water) zijn. Vandaag de dag noemen we dat de ‘leefbare zone’: een denkbeeldige zone rondom een ster waarin de temperaturen niet te hoog zijn (en water dus niet kan verdampen), maar ook niet te laag zijn (en water dus niet kan bevriezen). Daarnaast haalt Churchill ook het belang van een atmosfeer aan en wijst erop dat een hemellichaam een bepaalde zwaartekracht moet bezitten om een atmosfeer vast te kunnen houden.
Op basis van al die overwegingen stelt Churchill dat Mars en Venus – naast de aarde – de enige plaatsen in ons zonnestelsel zijn waar we buitenaards leven zouden kunnen aantreffen. De planeten in de buitenste regionen van het zonnestelsel sluit hij uit, omdat ze te koud zijn. Mercurius is te warm aan de dagzijde en te koud aan de nachtzijde en de maan en planetoïden hebben een te beperkte zwaartekracht en kunnen dus geen atmosfeer vasthouden.

Mars, Venus en exoplaneten

De vragen die Churchill kort voor de Tweede Wereldoorlog bezighielden, houden vandaag de dag vele astrobiologen wereldwijd bezig. De zoektocht naar leven op Mars is in volle gang en simulaties wijzen erop dat ook Venus in het verleden leefbaar is geweest. Daarnaast achten onderzoekers het bestaan van buitenaards leven ook mogelijk op manen zoals Europa en Enceladus. En naar verwachting kunnen we met de volgende generatie telescopen ook in de atmosfeer van exoplaneten op zoek gaan naar sporen van leven.

Exoplaneten
Daarnaast voorspelt Churchill – decennia voor we de eerste exoplaneet ontdekken – al het bestaan van planeten buiten ons zonnestelsel. Hij wijst er in zijn essay op dat onze ster slechts één ster in een miljarden sterren tellend sterrenstelsel is. “Ik ben niet zo verwaand dat ik denk dat mijn zon de enige met een verzameling planeten is.” Churchill schrijft bovendien te verwachten dat exoplaneten groot genoeg zijn om vloeibaar water en een atmosfeer te bezitten en dat er daarnaast ook nog exemplaren zullen zijn die zich op de juiste afstand (in de leefbare zone) van hun ster bevinden.
Churchill benadrukt dat dergelijke planeten zich echter op zo’n grote afstand van de aarde bevinden dat we wellicht nooit te weten komen of ze daadwerkelijk levende wezens bevatten.

Uit het essay blijkt dat Churchill vertrouwd was met recente onderzoeken van onder meer astrofysicus James Jeans en astronoom Edwin Hubble (die stelde dat er naast de Melkweg nog veel meer sterrenstelsels zijn). Bovendien blijkt de staatsman te redeneren zoals het een wetenschapper betaamt. Het raakt Livio, die opmerkt dat veel politici vandaag de dag zo anders zijn. “In een tijd waarin moderne politici wetenschap vermijden, vind ik het ontroerend om me een leider te herinneren die zo diepgaand met wetenschap bezig was.”