Nog nooit lag er eind oktober zo weinig zee-ijs als nu.

Na een ongebruikelijk warm voorjaar en warme zomer moet ook Siberië eraan geloven: de winter nadert met rasse schreden. Normaliter zie je dat terug in het zee-ijs. Dat begint weer aan te groeien en gaat de zeeën ten noorden van Siberië langzaam maar zeker steeds meer bedekken. Maar dit jaar komt de groei van het zee-ijs opmerkelijk moeizaam op gang, zo vertelt klimaatonderzoeker Zack Labe, verbonden aan de Colorado State University. “Met name in het gebied ten noorden van Siberië heeft zich deze herfst nog weinig tot geen zee-ijs gevormd.”

Combinatie van factoren
Hoe dat komt is niet helemaal duidelijk, maar Labe vermoedt dat er een combinatie van factoren aan ten grondslag ligt. Zo zouden hoge watertemperaturen een rol spelen. “Eerder deze zomer had het noorden van Siberië te maken met recordbrekende hittegolven, die ertoe leidden dat zee-ijs in de Laptevzee (gelegen ten noorden van Siberië, red.) snel verloren ging. Op de resulterende open wateren scheen de zon uitbundig, waardoor de watertemperatuur gemiddeld meer dan vijf graden Celsius hoger kwam te liggen. Die ongebruikelijk hoge watertemperaturen remmen de vorming van zee-ijs af.”


Maar ook de hoger dan gemiddelde luchttemperaturen spelen een rol. En de huidige weersomstandigheden helpen ook niet mee. Zo staat er aardig wat wind, waardoor er weer gemakkelijk golven ontstaan. En die breken pasgeboren en nog dun zee-ijs weer gemakkelijk op, waardoor er bijna geen aangroei mogelijk is.

Noordelijke IJszee
Maar niet alleen ten noorden van Siberië heeft het zee-ijs grote moeite om te doen wat het gedurende de herfst en winter altijd doet: groeien. Eigenlijk heeft het zee-ijs het in het gehele Arctische gebied lastig. “De totale omvang van het Arctische zee-ijs is in deze tijd nog nooit zo beperkt geweest als nu,” aldus Labe. “Dat betekent dat er nu meer open water in de Noordelijke IJszee te vinden is dan satellieten ooit eind oktober, begin november hebben gezien.”

Of we met deze slechte start ook afstevenen op een voor het zee-ijs slechte winter, is koffiedik kijken. “Veranderingen in weerpatronen hebben tijdens de winter een substantieel effect op het Arctische zee-ijs,” legt Labe uit. “En daarom weten we nog niet hoe het het zee-ijs de komende maanden zal vergaan. Maar het is wel zo dat hoe langer het duurt voor het zee-ijs gevormd wordt, hoe minder tijd het zee-ijs heeft om te groeien en dikker te worden.”

Dunner ijs
Jonger en dunner ijs is volgens Labe één van de aanwijzingen dat klimaatverandering – die met name in het Arctisch gebied heel hard gaat – de Noordelijke IJszee reeds stevig in haar greep heeft. Al sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw neemt het dikke, meerjarige ijs op deze noordelijk gelegen wateren af. Het maakt plaats voor ijs dat veel dunner en zwakker is. Dit ijs smelt gemakkelijker en valt bovendien – onder invloed van wind en golven – veel gemakkelijker uiteen. Bovendien is het veel vatbaarder voor extreme weersomstandigheden, zoals de Siberische hittegolven van afgelopen jaar. Daarnaast ligt een zogenoemd feedbackproces op de loer: wanneer zee-ijs – dat zonnestraling reflecteert – smelt, komt de onderliggende donkere oceaan bloot te liggen die de zonnestraling en -warmte juist absorbeert. Hierdoor warmen de wateren nog sneller op, waardoor het wegkwijnende zee-ijs het nog lastiger krijgt.

Je zult klimaatonderzoekers niet snel horen zeggen dat een enkele gebeurtenis – zoals het laat op gang komen van de aangroei van zee-ijs in de herfst van 2020 – een direct resultaat is van klimaatverandering. De situatie is in werkelijkheid namelijk vele complexer. Zoals Labe al aangeeft, spelen verschillende factoren een rol. Maar op de achtergrond speelt de opwarming van de aarde onmiskenbaar mee. “Ondanks de significante variaties die we van jaar tot jaar zien, zijn de klimaattrends op lange termijn heel duidelijk. Het Arctisch gebied warmt sneller op dan elk ander gebied op aarde en zal dat ook blijven doen tot we onze uitstoot substantieel reduceren.”

In het Parijse klimaatakkoord hebben bijna alle landen wereldwijd beloofd er alles aan te doen om de opwarming van de aarde tot 2 graden Celsius – en als het even kan zelfs tot 1,5 graad Celsius – te beperken. Het akkoord werd in 2015 binnengehaald als een overwinning, maar daar moeten we – bijna vijf jaar later – toch wel op terugkomen. Het blijkt bol te staan van vage beloftes en lege frasen. En zelfs met die nog onvervulde beloftes blijkt het lastig te worden de klimaatdoelen te halen. Er is dus nog wel wat werk aan de winkel. Maar zijn landen bereid die taak op te gaan pakken?